Voor iemand die geen circus maakt, zit er verdacht veel circus in het werk van Jos Houben. Geboren in Brussel en getogen aan de oevers van de Maas in Limburg, is hij minder bekend in België dan zou kunnen. Zijn grootste successen, onder meer met de solo The Art Of Laughter, behaalde hij dan ook in Londen en Parijs. In de lichtstad is hij als docent verbonden aan de Ecole International du Théâtre Jacques Lecoq. De zeldzame keer dat hij ons land bezoekt, laat Circusmagazine de kans niet liggen om de bevlogen verteller beter te leren kennen.
Houben houdt niet van hokjes. Hij noemt zichzelf komiek noch clown, maar onderzoekt in The Art Of Laughter al meer dan twintig jaar de relatie tussen beweging en humor. Wat begint als een lezing ontaardt in slapstick en absurde humor. Toch lijkt comedy niet het doel te zijn van zijn voorstelling: “Voor mij is de lach op zich een val. Als je een beetje talent hebt is een publiek doen lachen niet zo moeilijk en in mijn opinie niet zo interessant. Wat me boeit is de wereld vol paradoxen en de menselijkheid die achter de lach schuilt. Bovendien: als ik mijn voorstelling ‘Het Lichaam en zijn Gedrag’ had genoemd, zou niemand komen kijken, maar met een titel als ‘De Kunst van het Lachen’ komt iedereen. Uiteindelijk heb ik het toch gewoon over het lichaam.”
“In het begin moet je de toeschouwers verleiden, hen meenemen in je verhaal. Elk publiek is bij aanvang ietwat apathisch. Vaak zijn de mensen nog op hun telefoon bezig vlak voor de voorstelling begint, hun gewicht in de warme zetels. Ik start dan ook met grote evidenties: ‘Goeienavond. Amai, wat een volle zaal, dat is heel vleiend. Natuurlijk zijn jullie gekomen om te lachen – gezien de titel van de show – maar hopelijk ook om iets te leren.’ Op die manier neem ik de controle in handen: ‘Op het programma staat een masterclass voor zij die anderen graag zouden doen lachen, of voor zij die dat al geprobeerd hebben zonder succes.’ Dat levert doorgaans al een eerste lach op.”
Na deze vriendelijke ijsbreker gaat Jos Houben naar de kern van de zaak: “Gewoon het feit dat we rechtop lopen kan al een aanleiding zijn voor een lach. Tijdens de voorstelling ga ik heel traag rechtstaan. Dat creëert een stilte, een spanning. Daarna ga ik heel langzaam diagonaal staan en het publiek begint te lachen. Het blijft een mysterie voor mij waarom, want dat is geen grap. Het raakt wel aan iets fundamenteels: evenwicht en onevenwicht. Tijdens The Art Of Laughter evolueert mijn lichaam van verticaal naar diagonaal en uiteindelijk naar horizontaal, door te struikelen. Overal ter wereld wordt er dan met mij gelachen, want als er één ding is dat mensen wereldwijd verbindt, is dat ze allemaal een lichaam hebben.”
Ondanks de fysieke humor is The Art Of Laughter een verbale show. Jos instrueert zijn publiek: “We beginnen bij het lichaam. Ik heb er één meegebracht, een Vlaams model van 1,87 meter.” Hij legt uit hoe de verticaliteit van het lichaam onbewust een waardesysteem prijsgeeft. “Dat zit in woorden als ‘overstijgen’ of ‘hoge functies’, maar ook in de mijter van de paus en de trotse spits van de Eiffeltoren. Anderzijds ‘valt’ een keizerrijk of een kabinet, of voelen we ons ‘down’.” Later beschrijft Jos het hoofd, de borst, het bekken, de benen, de knieën en de voeten. Om de gave van imitatie te illustreren speelt hij een Camembert, een koe, een kip. “Ik herinner me een dame die me na een opvoering kwam zeggen: ‘Monsieur, vous jouez un poule. J’ai des poules, et vous le jouez très bien.’ Wat ik niet doe in mijn onderzoek of mijn scheppen is de dingen omlaaghalen: de parodie, de satire, het lelijk maken, het spotten.”
De architectuur van een voorstelling
In zijn Limburgse jeugd was cultuur beperkt tot carnaval en Toon Hermans, toevallig ook een artiest die zich moeilijk in een hokje laat duwen. Als tiener volgde de rijkswachterszoon wel danslessen, maar “mijn fascinatie voor humor heb ik vooral gekregen van het stripverhaal. Niet Willy Vandersteen of André Franquin, wel Gary Larson, de Amerikaanse cartoonist (bekend van The Far Side, red.) sprak me aan. Hij kon met één tekening een heel verhaal vertellen.” Dezelfde bewondering brengt Jos op voor Pieter Bruegel de Oude: “Onlangs heb ik in het Kunsthistorisches Museum in Wenen een halfuur naar zijn ‘spreekwoorden’ zitten kijken. Hoe levendig, hoe koddig! Hoe menselijk ook!”
Om de verveling aan de universiteit van Leuven te bestrijden, schreef Houben zich in voor een theaterworkshop aan het pas opgerichte kunstenhuis STUK. Hij wist het meteen: “Bye, bye, filosofie” en stak door naar Parijs om zich in te schrijven bij zijn latere werkgever, de Lecoq-school. Daar leerde hij ook zijn toekomstige medewerkers kennen, met wie hij als origineel lid van het Théâtre de Complicité furore maakte in Engeland. Altijd rondtoeren met dezelfde voorstelling is echter niets voor hem. “Ik wilde ook solowerk maken, te beginnen met theater voor dove kinderen. Van daaruit ben ik zelf gaan experimenteren met beweging en de lach.” Het was de geboorte van zijn levenswerk.
Als bewegingsexpert hoeft het niet te verwonderen dat Houben zowel door dansers als door circusartiesten wordt gevraagd voor professionele feedback op hun werk. Laat Alexander Vantournhout nu net beide zijn. “We liepen elkaar weleens tegen het lijf in Parijs en delen dezelfde filosofie over beweging. Tijdens de creatie van Souvenirshop (jeugdvoorstelling van Vantournhout i.s.m. Bronks die afgelopen winter in première ging, red.) vroeg hij me om te coachen. Alexander verzamelt kunstsouvenirs, zoals een Magritte-paraplu, een sweatshirt met de Mona Lisa op, Mondriaanklompen. Met die zaken maakte hij een kindervoorstelling. Hij en zijn medespeler (Miguel do Vale, red.) zaten tijdens de repetities zo diep in hun creatieve proces dat ze soms evidente dramaturgische problemen niet in de gaten hadden. Ik kijk als outsider naar een doorloop en stel dan vragen. Waarom doe je dit of dat? Elk beeld draagt een enorme verwachting in zich. Je moet die verwachtingen inlossen.”
Net als bij de fysieke humor komt ook hier Houbens gevoeligheid voor constructie bovendrijven. “Elk stuk is een partituur. Wanneer ik werk aan de structuur van een voorstelling – hetzij voor mezelf, hetzij voor anderen – ervaar ik altijd een gevoel van euforie.” De muzikale termen stapelen zich op wanneer hij in het bijzonder comedyshows analyseert: “Comedy is als een uurwerk. Het is een kwestie van timing, van dynamiek, van contrapunt. Je moet weten wanneer je de toeschouwers laat ademen. Ze mogen niet het gevoel hebben dat ze móeten lachen, soms mogen ze ook even iets bewonderen. Het mooiste compliment dat ik weleens krijg komt doorgaans van architecten, componisten en psychiaters. Zij komen me zeggen hoe goed de voorstelling opgebouwd het is. Dat hoor ik veel liever dan ‘wat ben je grappig.’”
Glijbaan in de opera
Zijn muzikale blik op beweging bracht Jos naar de opera. Met zijn echtgenote Emily Wilson werkt hij aan een versie van de beroemde musical No, no, Nanette! van Vincent Youmans, bekend van de tune Tea for Two. “Het model voor al mijn scenografieën is een speeltuin in het park. Abstract of niet, ik bouw een glijbaan op het podium, of een draaimolen, een klimrek of iets waar je je achter kan verstoppen. Wij zijn allemaal homo ludens, spelende mensen. Ik word altijd verdrietig als ik mensen zie joggen of gewichtheffen, want die zien er zo serieus uit. Dan denk ik: speel gewoon!”
Voor een enscenering van Rossini’s luchtige Petite messe solennelle bij de opera van Rennes, koos Houben als setting voor een vlooienmarkt in een olijfgroene turnzaal. Met talloze snuisterijen en een basketring is de verticaliteit verzekerd. “Op een gegeven moment laat ik een plastic zak wapperen aan een ventilator. Iemand moet een ladder op om die eraf te halen. Dat reflecteert het idee van een hemelvaart. Tegen het einde van de voorstelling is het hele decor afgebroken. Enkel de accordeonist, de pianist en de alt blijven over om het ‘Agnus Dei’ te zingen. Daarna dwarrelt een wit pluimpje naar beneden. De accordeonist vangt dat pluimpje op.”
Het is een beeld dat zo uit Circus Ronaldo kon geplukt zijn. Circus is nooit veraf in het werk van Jos Houben. Zijn ogen lichten op wanneer hij het over de clown heeft. “Circus is een groot verhaal van verticaliteit, de wereld daarboven behoort tot de acrobaat en de wereld op ons niveau tot de clown. Terwijl hij naar de trapezist kijkt, struikelt de clown over zijn eigen voeten. Hij droomt van vliegen, als een kind wil hij mee met de wolken. Dat is niet evident om te spelen, want de clown verstopt zijn fysieke virtuositeit achter een herkenbare stunteligheid: te laat, te vroeg, te veel, ergens tegenaan lopen, iets niet begrijpen.”
Ook in zijn relatie met de autoriteiten gedraagt de clown zich als een kind. “Of dat nu de dokter is of een politieman, de vader of de moeder, iemand moet zeggen: stop, hier is de grens, dit zijn de regels. Dan gaat de clown, al dan niet voluntair, die grens overschrijden. Clowns zijn naïef maar niet dom. Ze kunnen heel slim en donker zijn. Ze beginnen stilaan de wereld te begrijpen, maar stellen ook nog fantastische vragen. Ik herinner me een schitterende clownsvraag die mijn zoontje ooit stelde: ‘muziek, wat denkt dat eigenlijk?’ Het is de primitieve menselijkheid van een zesjarige die ik ook in mijn eigen werk opzoek.”
“Een Duitse wijsheid zegt dat het publiek drie dingen wil zien: weinen, lachen, staunen. Enerzijds wil het erkennen dat het leven hard is, om het vervolgens te relativeren. Staunen betekent dan weer ‘bewonderen’. Dat is het terrein van de acrobaat. Hij brengt het lichaam naar het onmogelijke, maar de clown herstelt het evenwicht in dat narratief.” Ook nu benadrukt Houben dat de obligate lach niet het doel kan zijn van diens bijdrage: “Veel workshops clownerie focussen op de vraag: lachen we of niet? Voor mij is een glimlach ook al goed. Ik wil in de eerste plaats geraakt worden.”
“In een existentiële novelle van Henry Miller, The Smile at the Foot of the Ladder, treedt een clown elke avond op in een mirakelspel. Eerst probeert hij vruchteloos bij de maan te geraken. Uiteindelijk lukt het hem met hulp van een ladder en een paard. De clown betreurt elke keer opnieuw dat het publiek lacht wanneer zijn pogingen falen, maar niet wanneer hij uiteindelijk slaagt. Dat teken van connectie en empathie, wat ik de glimlach noem, wordt hem niet gegund.” Het blijft evenwel ondenkbaar dat er ooit een clown optreedt die zonder de lach kan. “Binnen de drie minuten zou het publiek moeten lachen. Het woord ‘clown’ is immers gecontamineerd: de kijkers verwachten niet anders dan te lachen. Eens dat gebeurd is, kan je met hen de glimlach, de stilte en het mysterie opzoeken.”
Stof tot nadenken
Vooral de circusclown is Houben genegen, maar ook een theaterclown kan op tijd en stond op zijn waardering rekenen. “Ik denk nu aan een oud-leerling van mij – Ruthie is haar clownsnaam – die optrad in een klein theater in Parijs. Ik ging kijken met mijn twee kinderen en was verbaasd. Zij speelt een poetsvrouw en betreedt het podium met een borstel. Na de vloer te keren ziet ze voor de eerste keer het publiek en excuseert ze zich: ‘ik wist niet dat hier iets bezig was’. Dan begint ze haar systeem uit te leggen. Ze veegt volgens een grid: ABCD en 1234, waarbij ze begint met A1, dan A2 en zo de hele tabel afgaat, al heeft ze soms ook varianten. Daarna vertelt ze over het stof: ‘dat is ooit iets geweest.’ Ze gaat naar de existentie. Aan het einde van de voorstelling laat ze een vuilblikje met wat stof achter, waar we allemaal nog even naar kunnen kijken.”
“Zij doet iets wat ik niet kan: ze speelt haar hele voorstelling met een rode neus op. Als leraar bij Lecoq zeg ik altijd: de rode neus is een masker, dat is geen figuur. Dat masker is de deur naar een bepaald spel en een bepaalde lach die je niet kunt vinden zonder die neus. Het geeft ons een ander gevoel van tijd en ruimte. Een clown met een neus op kan bijvoorbeeld verder gaan in iets niet begrijpen dan een zonder.” En dan te bedenken dat de rode neus van de clown geïnspireerd is op een doodgewone dronkenlap. “Met zo’n neus zie je er stom uit, zoals iemand die net cappuccino heeft gedronken en nog melk aan zijn neus heeft hangen. Die kan je niet serieus nemen.”
Houben neemt er pen en papier bij en tekent twee smileys zonder neus, de ene blij, de andere triest. “Voor die expressies heb je geen neus nodig.” Vervolgens tekent hij een wipneus bij de ene en een puntneus bij de andere. “De neus geeft je personage direct een karakter en een eigenheid. Van Socrates weten we dat hij een aardappelneus had, maar we weten niets over zijn ogen of zijn tanden. Bij de harlekijn kruipt de neus naar achter en de mond naar voor. Bij het pantalonemasker is het net andersom, wat ook om een ander spel vraagt. Maar dé neus van alle neuzen is de ronde. Dat instrument dwingt je om je ogen groter te maken. Bovendien is de neus het symbool van nieuwsgierigheid, vandaar: ergens je neus insteken.”
Nieuwsgierigheid typeert Jos Houben ten voeten uit. Hij spreekt zoals ie is: heel associatief, zelfs van de hak op de tak, maar in die enthousiaste woordenbrij combineert hij de wijsheid van een oude man met de verwondering van een kind. Hij erkent dat het leven een circus is, en hij maakt er het beste van.
Auteur: Tom Permentier
Foto’s: Michiel Devijver
Dit artikel verscheen in Circusmagazine #86 (mei 2026)
Circusmagazine is het driemaandelijks tijdschrift voor de circuskunst. Op eigentijdse wijze bericht het over verleden, heden en toekomst van de circuswereld in Vlaanderen and beyond.
Abonneer je hier