“De grootste fout die we als circussector kunnen maken, is het Kunstendecreet achternahollen”
Met de landschapstekening in het achterhoofd fileren twee leading ladies van het Vlaamse circus hun geliefde sector. Na een carrière in de Letteren sprong Noemi De Clercq in het circusbad; ze is sinds 2019 directeur van Circuscentrum, dat zijn eerste beleidsperiode als steunpunt bijna achter de rug heeft. Liv Laveyne is programmator bij De Grote Post en Theater aan Zee, schrijft voor De Standaard en Etcetera en is al eeuwenlang redactielid van Circusmagazine. Wanneer het over de staat van het circus gaat, komen hun visies opmerkelijk goed overeen. “Maak als sector je eigen keuzes, heel bewust en kritisch. Doe geen copy-paste van andere sectoren.”
Om met de deur in huis te vallen: waarom circus? Waarom zijn jullie in het circus terechtgekomen en waarom blijven jullie er?
Liv Laveyne: (denkt lang na) “Voor mij is er een scharniervoorstelling geweest: Appris par corps van Cie Un loup pour l’homme, zo’n vijftien jaar geleden. Ik kende circus natuurlijk al via Circus Ronaldo en het klassieke circus dat jaarlijks passeert, maar plots zag ik wat circus ook kon zijn. De reden dat ik nog steeds in circus geloof, heeft daar ook mee te maken: het feit dat het zoveel kan zijn, dat er een out-of-the-box-denken wordt toegelaten, of het nu high of low brow is, amateur of professioneel, clownerie of beeldende kunst. Ik vind het heel tof dat er zonder enig waardeoordeel toch waardevol werk gemaakt wordt. Er wordt niet in hokjes gedacht. Dat maakt het spannend. En ik hoop dat dat blijft.”
Noemi De Clercq: “Er zit een interne contradictie in circus: het is enerzijds terugvallen op strikte disciplines en tradities waartoe je je moet verhouden, anderzijds is er die ruimte om jezelf heruit te vinden. Die ambiguïteit is heel fascinerend. Verder vind ik het boeiend dat het een sector in volle ontwikkeling is. Andere delen van de kunstensector zijn al meer gesetteld, met grote instituten, het is veel moeilijker om daar nog beweging in te krijgen – de uitdagingen liggen elders. De dynamiek die in de circussector heerst, is erg fijn om op te volgen.”
Is er een specifiek moment – een voorstelling of iets anders – dat jou onherroepelijk naar het circus getrokken heeft?
Noemi: “Nee, eigenlijk niet. De nieuwsgierigheid groeide geleidelijk aan. Ik kom uit de letterensector en werkte voordien op het Departement Cultuur, waar ik het prille beleid rond circus vanop een afstandje heb kunnen meemaken. In literatuur staat het woord centraal, circus is vaak woordeloos en erg belichaamd. Dat was helemaal nieuw voor mij en het blijft erg fascinerend.”
Gaat het bij jou meer om de sector in zijn geheel of ook om circus als kunstvorm? Anders gezegd: vormen circusvoorstellingen voor jou een reden om in de circussector actief te blijven?
Noemi: “Zeker. Ik ga heel graag naar circus kijken. Vroeger ging ik vaak naar theater en dans – dans heeft ook dat lichamelijke, dat heeft mij altijd aangesproken. De laatste jaren zie ik vooral circus, maar dat vind ik helemaal niet erg. Door de grote diversiteit aan vormen blijft het een fijne ontdekkingstocht.”
Liv: “En toch, zelfs voor mij als programmator gaat het niet alleen om voorstellingen. Ik vind – en ik wik mijn woorden – circusartiesten vaak ook fijner dan artiesten uit andere sectoren. Er is minder ego...”
Noemi: “… minder pretentie.”
Liv: “Minder competitie. En toch ambitie. Voilà.”
Het mag een keer gezegd worden.
Liv: “Al zijn er natuurlijk ook nadelen aan verbonden: we zijn minder kritisch voor elkaar, het is soms een wat incestueuze bedoening, I know, maar er worden geregeld stappen gezet om verder te kijken dan ons kent ons.”
Noemi: “Het communitygevoel in de circussector is opvallend, en dat is voor een groot deel te danken aan de circusateliers. Ze bieden een warme context waarin je van jongs af basisprincipes leert rond samenwerken, veiligheid en hoe je op een goede manier met elkaar omgaat. Verbondenheid zit daar diep geworteld en dat straalt af op de hele sector.”
Nochtans, een opvallend cijfer uit de loopbaanenquête was het aantal circusartiesten dat niet uit de circusateliers afkomstig was: 57%. ‘Slechts’ 43% van de respondenten startte zijn carrière in een circusatelier. Je zou een veel hoger percentage verwachten.
Liv: Er zijn natuurlijk wel wat zij-instromers uit de sport- en acrogymrichtingen, uit de kunsten en uit andere opleidingen. En meer en meer buitenlandse circusartiesten die merken dat hier een vruchtbaar landschap ligt.”
Noemi: “Het toont meteen ook aan dat er sterker mag of zelfs moet ingezet worden op gedegen onderzoek waarmee je dergelijke zaken objectiveert. Er heersen heel veel ideeën en veronderstellingen over de circussector, vaak eerder romantisch van aard. Dat doorprikken en nagaan hoe het nu echt zit, mag best wel, het is volgens mij zelfs cruciaal om de sector verder duurzaam te laten ontwikkelen. En, voor alle duidelijkheid, dan heb ik het niet over groei als enige ambitie. Eenzijdige groeiscenario’s leiden al te vaak tot problemen – dat hebben andere sectoren al aangetoond. Maar duurzame ontwikkeling is wel een must. Het veld is zodanig specifiek – met linken naar jeugd, onderwijs, kunst, erfgoed, sport, welzijn – dat onderbouwde beslissingen welkom zijn. Is er bijvoorbeeld nood aan een circusbachelor of -master in Vlaanderen? Dergelijke kwesties kan je niet met de natte vinger behandelen.”
Het was een vraag voor later in dit interview, maar we kunnen hem meteen stellen: heeft Vlaanderen een eigen circushogeschool nodig?
Noemi: “De vraag van één miljoen. Ik denk dat er genoeg degelijke bachelors in de buurt zijn: Brussel, Rotterdam, Tilburg, Lomme, … Het kan geen kwaad om in het buitenland te studeren, zeker als circusartiest. Maar er zijn weinig masteropleidingen. En als er vandaag één grote uitdaging is binnen de circuskunsten, dan is het wel het gebrek aan reflectie en ontwikkeling. Noch binnen de sector zelf, noch binnen onderzoeksprogramma’s is hier voldoende ruimte en aandacht voor. Een circusmaster kan op dat vlak een belangrijke katalysator zijn en is dus zeker welkom.”
Liv: “Als het om een louter federalistische insteek gaat, genre ‘Ook Vlaanderen moet als regio zijn circushogeschool hebben’, dan pas ik. Je moet kijken naar wat er al in het internationale veld aanwezig is en daarop inspelen. Hoe kan je je onderscheiden? Hoe kan je iets bieden dat aanvullend werkt? Een masteropleiding die de crossover richting podiumkunsten maakt, is dan absoluut relevant. De huidige circusbachelors mikken vooral op techniciteit. Er is nog veel terrein te winnen op het vlak van articiteit: dramaturgie, acteren, makerschap, … Ik weet dat er enkele jaren geleden plannen waren om binnen KASK School of Arts een circusmaster op te starten, maar die zijn afgesprongen om budgettaire redenen. Doodjammer. Het zou een internationale meerwaarde zijn om de verrijking van de circuskunsten op masterniveau te onderzoeken.”
Noemi: “Absoluut.”
Liv: “Een hogere circusopleiding – of het nu een bachelor of master is – straalt ook af op de stad of regio waarin het zich bevindt. Het brengt een bepaalde sfeer met zich mee waar ook de bevolking van profiteert.”
Noemi: “Het zal zeker ook bijdragen aan het sérieux waarmee naar circus wordt gekeken. De beeldvorming rond circus blijft toch een enorme struggle. Ik ben nu vijf jaar directeur van Circuscentrum, maar het blijft al te vaak terug van nul opbouwen. Circus is in al zijn hedendaagse vormen nog te weinig verankerd in de verschillende geledingen van de maatschappij – bijvoorbeeld bij lokale en federale overheidsdiensten en beleidsmakers. Dat heeft een effect op de toegang tot maatregelen zoals het kunstwerkattest, inname publiek domein, lokale reglementen, enzovoort.”
De clichébeelden zitten diep verankerd.
Liv: “Zelfs bij mensen van wie je het niet zou verwachten. Hoeveel acteurs mij niet zeggen: ‘Circus, nee, daar ga ik niet naar kijken, dat is niks voor mij.’ Dat is a priori een kunstvorm afschrijven, zonder enige notie te hebben van het brede gamma aan soorten en stijlen waaruit het bestaat.”
Noemi: “Die onbekendheid wortelt misschien ook in de kunstopleidingen, waar weinig tot geen aandacht aan de circuskunsten wordt besteed. Bauke Lievens heeft daar met The Circus Dialogues wat verandering in gebracht, maar dat is nu ook gestopt. Er is een leemte op het vlak van reflectie en artistieke ontwikkeling, terwijl er net zoveel aan het gebeuren is. De sector is continu in verandering, ook op artistiek vlak, zelfs zonder die reflectieve laag, maar er is ruimte voor verbetering.”
Liv: “Een circushogeschool die dat onderzoek mee kan faciliteren, zou een surplus zijn, ook internationaal. We zouden daar zeker een verschil in kunnen maken. Onze podiumkunsten staan internationaal hoog aangeschreven, in het circus is die beweging ook aan de gang.”
Noemi: “Het zijn natuurlijk vrij zware procedures om een nieuwe opleiding in gang te steken én er zijn veel middelen voor nodig. Misschien moeten we bij de nieuwe regering niet enkel gesprekken voeren met Cultuur, maar evengoed met Onderwijs. Want binnen Onderwijs hebben ze geen flauw idee hoe het met de circuskunsten zit.”
Liv: “De circushumaniora zit in een uitdoofscenario. Dat is uiteraard heel jammer, maar het zou al heel wat zijn mocht circus in de kunsthumaniora en sportopleidingen geïntroduceerd worden. Dat er naast dans, theater en allerhande sporten ook circus aangeboden wordt. Dat er naar circusvoorstellingen gekeken wordt, dat er een circusartiest wordt uitgenodigd voor een gastles, … Zodat circus globaal mee op de radar komt.”
Noemi: “De weinige initiatieven die daar genomen worden – zoals de introductie van de optie circus binnen het Lemmensinstituut – doven jammer genoeg vaak terug uit. In plaats van een circushumaniora is een zevende jaar misschien een meer haalbare kaart? Dat je na het middelbaar een extra jaar kan volgen met focus op circus. Daar zullen ouders minder snel ‘nee’ tegen zeggen en het past ook beter binnen de internaatformule – op je achttiende is het normaal dat je niet langer fulltime thuis woont. Een voorbereidend jaar – een prep zoals ze in Frankrijk zeggen – waarna je kansen om op een circushogeschool binnen te geraken zienderogen gegroeid zijn… Dus voilà, een prep en een master, dat hebben we nodig!” (lacht)
Het vernieuwde Circusdecreet heeft zijn eerste vijf jaar achter de rug. Wat is jullie – los van corona – het meest bijgebleven? Wat is je opgevallen?
Liv: “Dat de professionalisering zich op alle niveaus heeft doorgezet. Je voelt het al wanneer je dossiers binnenkrijgt: dat zijn geen vodjes papier meer zoals vroeger. Er wordt meer nagedacht over vorm, inhoud, planning, haalbaarheid. Jonge artiesten komen met realistische voorstellen en weten welk gesprek ze met welke partner willen aangaan. Dat is echt positief. Daarnaast kan je natuurlijk niet naast de komst van de werkplaatsen kijken, die artiesten de broodnodige tijd en ruimte bieden om te kunnen ontwikkelen. En tot slot, wat ik daarnet zei: dat er meer over het muurtje gekeken wordt. Er zijn meer evenwaardige kruisbestuivingen tussen circus en andere kunsten, met wederzijds respect en nieuwsgierigheid.”
Noemi: “Het Circusdecreet heeft kansen geboden aan verschillende actoren uit de sector om op lange termijn iets uit te bouwen… Maar corona zat er echt wel fel tussen. De eerste beleidsperiode van het nieuwe decreet wordt dan ook getekend door twee tegengestelde dynamieken: een beloftevolle sector die dankzij een verdubbeling van het budget kon bloeien als nooit tevoren, versus de totale stilstand die corona met zich meebracht. Ik heb het gevoel dat de impact van het decreet nu pas ten volle kan doorwerken. Als je kijkt naar het aantal premières dit najaar, de diversiteit van de producties, de populariteit van de circusateliers, … We zitten in een heel positieve dynamiek.”
Liv: “Je voelt een enorme goesting, zowel bij makers als bij programmatoren.”
En is er genoeg goesting bij het publiek? De circusfestivals die ik afgelopen zomer bezocht… het was niet meer over de koppen lopen zoals vroeger.
Liv: “Ik denk dat dit een algemeen probleem is. Het is in de zalen begonnen en je voelt het nu ook in de buitenfestivals. Ligt dat voor een stuk aan corona? Ja. In een pessimistische bui denk ik dat er te veel andere manieren zijn om dingen te beleven: thuis naar Netflix kijken, op je gsm scrollen, …”
Noemi: “De mensen hebben hun living herontdekt.”
Liv: “En dat heeft volgens mij echt met corona te maken.”
Noemi: “Je mag ook niet onderschatten hoeveel circusfestivals er in Vlaanderen, op zo’n klein oppervlak, zijn. Dat valt des te meer op als je met internationale collega’s praat. Misschien moet er niet altijd de grote massa op afkomen.”
Liv: “Er is een overaanbod binnen de gehele cultuursector, waardoor het publiek niet meer kan volgen. Bij circus valt dat eigenlijk nog heel goed mee.”
Noemi: “Voel jij dat persoonlijk?”
Liv: “Als ik mijn agenda erbij neem, kan ik in het najaar elke dag naar vijf podiumvoorstellingen die ik zou moeten zien. En dan heb ik al geselecteerd. Er wordt zoveel gemaakt, je krijgt dat niet meer gespreid, daar moet echt over nagedacht worden. Maar nogmaals: bij circus valt dat momenteel nog redelijk mee.”
Noemi: “Circus mag zelfs nog wat meer ruimte veroveren. Wij zitten in de ontwikkelingsfase, laat ons nog verder ontwikkelen, zonder te moeten opdraaien voor de fouten die in andere sectoren zijn gebeurd. We moeten naar de toekomst kijken en onze eigen weg bewandelen. Circus is perfect in staat om andere vormen en modellen te creëren, alternatieven waar de kunstensector misschien iets uit kan leren.”
Liv: “De grootste fout die we als circussector kunnen maken, is dat we het Kunstendecreet achternahollen. We mogen niet met open ogen in de problemen stappen die in de Kunsten aan de hand zijn. Het is nog net niet te laat om andere antwoorden te bieden, maar dan moet het wel nu gebeuren.”
Kan je dat concreet maken? Wat zijn betere modellen?
Noemi: “Het is positief dat de mogelijkheid bestaat om structurele subsidies binnen het Circusdecreet aan te vragen, het is heel goed dat meer gezelschappen hier bij de volgende aanvraagronde gebruik van gaan maken. Maar het waardeoordeel dat daar in de Kunsten aan vasthangt, dat dat over de mature en grote gezelschappen zou gaan, daar mogen we ons in de circussector niet aan laten vangen. Projectsubsidies zijn niet per definitie minderwaardig, je kan als gevestigde artiest bewust kiezen om niet voor structurele ondersteuning te gaan. Ook het gegeven dat subsidies de belangrijkste inkomstenbron zijn, hetgeen binnen de kunsten vaak het geval is, gaat niet op voor de circussector. Verschillende circusactoren passen perfect binnen de meer commerciële logica, en daar is niets mis mee. Voor alle duidelijkheid, het Circusdecreet is fantastisch en er moet een verdubbeling van de middelen komen. Maar het is niet de heilige graal. Maak als sector je eigen keuzes, heel bewust en kritisch. Doe geen copy-paste van andere sectoren.”
Liv: “Ik hoop dat artiesten hun gezond verstand gebruiken: het is niet omdat je subsidies kan aanvragen, dat je ze ook moet aanvragen. Zeker wat structurele subsidies betreft. Dat moet passen binnen je DNA als gezelschap, binnen je werking en je ambitie. We moeten als sector ook opletten dat de verhouding structureel-project dynamisch blijft, dat er voldoende instroom en uitstroom mogelijk is. Je wil niet dat alle structurele gezelschappen tot in de eeuwigheid structureel blijven, dat kan een hele sector blokkeren. Daarenboven is het gewoon ook een slecht beheer van middelen: elk structureel gezelschap heeft een zakelijk leider, een technisch coördinator, een diffuseur, … Een enorme overhead die enkel kan betaald worden dankzij subsidies. Vallen die weg, dan volgen er ontslagen. Mijn stokpaardje is al langer: denk aan een productieparaplu waar een aantal gezelschappen onder zitten, waar de overhead wordt gedeeld.
Nog een punt waarop we de kunsten zeker niet mogen achternahollen: het tempo waarin producties gemaakt worden en de gebrekkige spreiding die er het gevolg van is. Kom los van het dogma om als gezelschap minstens één nieuwe voorstelling per jaar te maken, die in het beste geval tien keer speelt. Dat is net het mooie en duurzame in de circuswereld: producties spelen gemiddeld minstens drie jaar aan een stuk, in theaterzalen en op festivals in België en ver daarbuiten. Dat is een veel interessanter model dan de productiedrang van het Kunstendecreet. Zet meer in op spreiding, geef daar subsidies voor, ontwikkel daar tools voor.”
Noemi: “Volhoudbaarheid wordt een belangrijk issue voor onze sector. Als maker je eigen tempo volgen en je niet laten meeslepen door de verwachtingen van de overheid, partners, programmatoren, … Dat is een grote valkuil, want er is veel goesting en ambitie.”
Over valkuilen gesproken, is de toenemende professionalisering geen valkuil? Gaat dat niet in tegen het DNA van circus, waar circusartiesten aan de camion sleutelen en zelf hun tent opzetten?
Noemi: “We moeten opletten dat we het beeld van circusartiesten als plantrekkers niet te veel romantiseren. Professionalisering is een goede zaak voor de hele sector. Het betekent dat mensen bewust kiezen om iets al dan niet te doen, en dat komt de volhoudbaarheid alleen maar ten goede. We willen toch niet terug naar de tijd dat artiesten voor geen enkele repetitie- of creatiedag betaald werden? De sector mag voor zichzelf zorgen. Het is oké om jezelf als circusmaker wat te ontlasten; je moet niet alles zelf doen. Maar dat wringt, want we zijn dat als sector totaal niet gewoon. En de volgende uitdaging is dan dat er voldoende juiste mensen voor de circussector kiezen, bijvoorbeeld zakelijke of productionele profielen. Maar als je als artiest alles zelf wil blijven doen, dan is dat uiteraard je volste recht.”
Liv: “Plantrekkerij is een filosofie, geen economisch statuut.”
Noemi: “Ik zou zelfs meer zeggen: plantrekken is een privilege. Je moet in de mogelijkheid verkeren om alles zelf te kunnen doen. Je moet een financiële basis hebben, een netwerk, een plek om te bricoleren...”
Is het geen gevaar dat professionalisering leidt tot een zelfde soort voorstellingen, namelijk de perfect afgewerkte productie voor de black box?
Liv: “Het ene heeft volgens mij niets met het andere te maken. Het feit dat de straat minder dan vroeger als werkveld wordt gezien, heeft een aantal oorzaken. Op de circushogeschool word je bijvoorbeeld gestimuleerd om indoor te creëren en te presenteren. En met indoor bedoel ik dan zowel theaterzaal, tent als cabaret. Een ander element – en nu ga ik wellicht oud klinken – is dat de jongere generatie meer oog heeft voor work-lifebalance en sneller haar grenzen aangeeft. We moeten eerlijk zijn, straattheater is niet niks, hé. Dat is door weer en wind zelf een stopcontact zoeken om je geluid aan te sluiten, je moet continu oplossingsgericht denken – een wereld van verschil met de theaterzaal waar de catering klaar staat en technici je bij elke stap helpen. Misschien zien jonge artiesten daarom de straat minder zitten? In Vlaanderen valt het alleszins op dat straattheater vooral door de oudere generatie wordt bevolkt. Maar dat heeft dus niets met professionalisering te maken.”
Noemi: “Het gebrek aan straatkunsten heeft ook te maken met het beleid en de keuze om specifiek op circus in te zetten. Er is een Circusdecreet en geen Straatkunstendecreet. Het straattheater heeft minder kansen gekregen om zich te kunnen ontwikkelen, je merkt dat dat doorheen de jaren wel een impact heeft gehad. Zo zie je maar dat een beleid veel invloed kan hebben. In het buitenland is men trouwens stikjaloers op ons circusbeleid, en terecht, wij zijn het walhalla vergeleken met vele andere landen. Maar tegelijkertijd heb ik wel het gevoel dat het fragiel blijft. De circussector is nog steeds een kleine sector die afhangt van te weinig mensen. Het veld is nog niet robuust genoeg om eventuele klappen te boven te komen. Circus is nog te weinig verankerd, zowel in de breedte als in de diepte. Het draagvlak is er zeker, ook bij het beleid, maar we zijn er nog niet. Alleen al als je naar de middelen kijkt – de volledige circussector krijgt zes miljoen euro, evenveel als De Singel – kan je niet anders dan concluderen dat we te weinig serieus genomen worden. Het is vooral dankzij de mensen uit de sector en de samenhorigheid die er heerst dat het circus in Vlaanderen zo’n hoge vlucht neemt.”
Liv: “Hopelijk blijft die samenhorigheid even sterk wanneer er ooit bespaard zal moeten worden… Maar wat absoluut mag gezegd worden, is dat er op 20-25 jaar met beperkte overheidssteun een heel veld is ontkiemd, met heel veel soorten bloemen. Dat is toch wel waauw. Ligt dat aan het beleid? Deels wel, maar het ligt vooral aan de goesting van de mensen.”
Noemi: “Het is een mooi samenspel tussen het beleid en een sector die er volledig voor gaat. De rol van de circusateliers is daarbij niet te onderschatten.”
Goed plan, laat het ons even over de circusateliers hebben.
Noemi: “Misschien beschouwen we hen te veel als een evidentie, waardoor we er te weinig over praten, maar zij dragen echt mee die sector. Afstudeerders die na drie-vier jaar terug naar Vlaanderen komen, kloppen eerst en vooral aan bij ‘hun’ atelier. Het is een cruciale link in hun professioneel netwerk. Ze kunnen er aan de slag als gastdocent, kunnen er trainen en geleidelijk aan hun carrière uitbouwen. Het is veel meer dan de plek waar ze vroeger hun hobby beoefenden, het is hun homebase. De circusateliers – zeker degene die structureel ondersteund worden – doen veel meer dan enkel het educatieve. Hun initiatieven zijn vaak atelier overschrijdend, internationaal en reflectief. Het zijn sterkhouders voor de hele sector. Nu is het een kwestie van goed op te volgen dat de wissel van de wacht vlot verloopt; een nieuwe generatie neemt over en de pioniers van 15-20 jaar geleden stromen geleidelijk uit.”
En wat met de kleinere circusateliers? Zij hebben een acuut gebrek aan middelen.
Noemi: “Dat is effectief een probleem dat niet zomaar op te lossen valt. De ateliers in de centrumsteden zijn groot en ontvangen mooie subsidiebedragen, terwijl de ateliers in kleinere gemeenten al blij mogen zijn als ze gratis een turnzaal mogen gebruiken. Gelukkig kunnen kleinere ateliers mee profiteren van overkoepelende initiatieven zoals de jaarlijkse materiaalkeuring of de BIC-cursus (opleiding tot circusdocent, red.), maar het verschil is effectief te groot. Ik denk dat een mogelijke oplossing in de satellietwerking ligt: dat een groter atelier een deelwerking heeft in een andere gemeente. Dat kan perfect zonder de eigenheid van het kleinere atelier op te geven, kijk maar naar Circus Punt in Sint-Niklaas dat onder de vleugels van Circolito opereert. Maar dat is een proces dat je niet kan forceren; het moet in de eerste plaats van de betrokken partijen zelf komen.”
Zien jullie nog uitdagingen of kansen binnen het ateliernetwerk?
Liv: “Wat diversiteit en inclusie betreft, zien we dat de ateliers prachtig werk leveren – ze lopen mijlenver voor op andere spelers uit de sector, en zelfs andere sectoren. Maar tegelijk blijft circus als hobby iets voor de bakfietsouders. Daar moeten we aandacht voor blijven hebben. Hier is de link met onderwijs opnieuw cruciaal. Geef circuslessen op scholen zodat elk kind ermee in contact komt, ongeacht religie, achtergrond, financiële mogelijkheden…”
Noemi: “Samenwerking met onderwijs is erg democratiserend omdat er leerplicht is. Je bereikt iedereen.”
Liv: “Dus naast in te zetten op – bijvoorbeeld – de renovatie van kerken om extra circusinfrastructuur te creëren, zou ik ook de banden met onderwijs aanhalen, de turnzalen claimen en daar initiatieven ontwikkelen.”
Noemi: “Dat is een van de weinige nadelen van het circusecosysteem: het feit dat alles verzameld zit onder één decreet zorgt ervoor dat de linken naar andere sectoren – zoals onderwijs en welzijn – minder makkelijk gelegd worden. De valkuil is dat je op een eiland kan komen te zitten.”
Liv: “Al wil dat niet zeggen dat het Circusdecreet in vraag moet gesteld worden.”
Noemi: “Absoluut niet, laat dat duidelijk zijn. Het feit dat de volledige sector – en niet enkel de artistieke poot – eronder valt, is een gigantische meerwaarde. Ik blijf er ook bij, en ik geloof dat echt, dat de kunstensector veel kan leren van de circussector. Bij de Kunsten gaat het constant over ‘outreachen’; hoe kan men andere doelgroepen bereiken, hoe kan men uit het instituut met die hoge drempel breken, … Wel, circus heeft dat in oorsprong van nature. Circus is toegankelijker. Circus bereikt alle lagen van de bevolking. Daar ligt een enorm potentieel.”
Liv: “In die zin is het een beetje een rare move geweest om straattheater niet in het decreet op te nemen. Iedereen heeft de mond vol van democratisering en drempelverlaging – we moeten naar het volk toe trekken – maar beleidsmatig wordt de kortste weg daarnaartoe – kunsten op straat – niet ondersteund.”
Noemi: “Dat is zeker iets om de komende jaren bij stil te staan, hoe de straatkunsten terug in hun kracht zetten?”
Wat met de traditionele circussen? Zij bereiken ook een groot en erg divers publiek.
Liv: “Ik vind dat ze beleidsmatig op een andere manier zouden ingeschreven moeten worden. Ofwel als immaterieel erfgoed, waarbij de traditie ten volle kan onderzocht worden. Ofwel binnen het Circusdecreet, maar dan met vernieuwing of ontwikkeling als focus. Momenteel kunnen traditionele circussen subsidies aanvragen, maar daarmee boeken ze in eerste instantie duurdere internationale acts of ze vernieuwen hun rollend materieel…”
Noemi: “De meeste traditionele circussen zitten niet te wachten op artistieke vernieuwing – of toch niet in de betekenis die wij daar vaak aan geven. We moeten hen waarderen zoals ze zijn. Het heeft geen zin om hen te verplichten om iets anders te worden. De piste van immaterieel erfgoed is mooi en kan kaderen binnen een geïntegreerd Vlaams circusbeleid.”
Liv: “Een derde piste is simpelweg geen subsidies aanvragen. Dat is volledig legitiem. En ook waardevol. Dan moet je aan niemand verantwoording afleggen.”
Noemi: “Ik wil toch wel even wijzen op de zogezegde tweedeling tussen traditioneel en hedendaags circus. Dat is een heel spectrum hé. Er zijn zoveel verschillende soorten circus. Het ene is wat commerciëler, het andere focust meer op de traditie, … Trouwens, veel circussen die wij traditioneel noemen, brengen hypermoderne acts. Ik denk dat een Circus Ronaldo veel meer teruggrijpt naar de roots van het circus dan een doorsnee traditioneel circus. Het verschil ligt hem vooral in de manier van werken – op eigen risico rondtrekken – en de vorm – met de tent, de spreekstalmeester, de popcorn. Daar houdt men wel aan vast. Maar dat blijft tot de verbeelding spreken, het publiek blijft komen. Dat vind ik mooi. Het is een vorm van levend erfgoed en dat is waardevol.”
Hoe zit het qua diversiteit op het podium?
Liv: “In termen van kleur op het podium komt het circus in Vlaanderen er helaas bekaaid van af, hetgeen extra vreemd mag genoemd worden omdat circus een heel internationale sector is. Ook in de opleidingen merk je hetzelfde als het gaat over jongeren met een migratieachtergrond, maar evengoed met een socio-economische achterstand. Het idee dat circus ook effectief een beroep kan zijn waarmee je je kost kunt verdienen, is onbestaande en opleidingen zijn niet goedkoop.”
Noemi: “Er is toch wel een evolutie merkbaar. Er zijn meer andersvalide lichamen op het podium, er is aandacht voor neurodivergentie, en misschien het meest zichtbare: er zijn opmerkelijk meer vrouwelijke circusmakers dan pakweg vijf jaar geleden. Maar inderdaad, kleur op het podium is moeilijker. Misschien is er een gebrek aan rolmodellen? Hoe je het draait of keert, werken aan meer diversiteit is een complex proces waar verschillende dynamieken op elkaar inspelen. We moeten niet te pessimistisch zijn want er zijn sterke praktijken, maar wat mij betreft mag de sector – en dan bedoel ik ook het steunpunt – zich op dat vlak nog ambitieuzer opstellen en systemische verandering nastreven.”
Wellicht de grootste vernieuwing van de afgelopen vijf jaar was de komst van de circuswerkplaatsen. Hoe zien jullie deze evolueren?
Liv: “Een interessante ontwikkeling zal misschien in Antwerpen plaatsvinden. Het feit dat Ell Circo D’ell Fuego niet langer als atelier maar als werkplaats zal aanvragen, is toch wel boeiend. Dat kan een heel nieuwe dynamiek teweegbrengen.”
Noemi: “Het lijkt mij zeker niet slecht. De huidige werkplaatsen zijn gegroeid vanuit een festivalcontext, met bijhorende werking en netwerk. Nu zal er een speler bijkomen met een totaal andere achtergrond, meer ontwikkelingsgericht.”
Liv: “Er zal een mooi drieluik gevormd kunnen worden tussen het atelier, de werkplaats en MAD Festival, maar toch voldoende gescheiden zodat de energie juist gedoseerd wordt. Dan kan je als werkplaats effectief artiesten ondersteunen in hun ontwikkeling – zowel artistiek, technisch, productioneel, promotioneel als zakelijk. Dat is momenteel nog een grote leemte bij de bestaande werkplaatsen omdat het festival hoognodig moet georganiseerd worden. Die impact op de werking is aanzienlijk.”
Noemi: “Een werkplaats echt werkplaats laten zijn en focussen op de essentie, dat geeft nieuwe mogelijkheden. Misschien is het een idee voor de andere werkplaatsen; dat ze hun presentatiefunctie afbouwen of verzelfstandigen en meer ruimte maken voor ontwikkeling en reflectie.”
Liv: “Er zit alleszins een grote contradictie in het werkplaats- en festivalgegeven; er spelen tegenstrijdige belangen. Vooral voor de artiesten: de rust om te ontwikkelen versus de must om op dat festival te (willen) staan.”
Noemi: “Over ontwikkeling en reflectie gesproken: hierbij zijn de gezelschappen zelf ook een belangrijke speler. De afgelopen jaren waren er al mooie initiatieven zoals Sharing is Scary van THERE THERE Company en Cirklabo, de publicatie over het onderzoek rond objecten van Grensgeval, Side-Show die op het vlak van relaxed performances bakens verzet. Zij bouwen voort op hun eigen artistieke praktijk, maar betrekken er andere artiesten bij en hebben expliciet als doel om een bredere uitwisseling mogelijk te maken.”
Tot slot, hoe belangrijk wordt de internationale context de komende jaren?
Noemi: “Het Vlaamse circus is om verschillende redenen erg internationaal gericht, alleen al vanwege het feit dat er geen Vlaamse circusbachelor bestaat. Gedreven talenten moeten naar Franstalig Brussel of naar het buitenland voor een gespecialiseerde opleiding. Veel van onze gezelschappen bestaan uit artiesten van verschillende nationaliteiten die zich hier gevestigd hebben. Ook om te spelen is het buitenland een must: je kan niet drie jaar lang in eigen land optreden. In het loopbanenonderzoek geeft ongeveer 70 % van de bevraagde artiesten aan zowel binnen als buiten Vlaanderen/Brussel te werken, bijna 14 % van de artiesten werkt zelfs uitsluitend in het buitenland.”
Liv: “Vlaanderen is een zakdoek groot en heeft een enorm bloeiend kunst- en cultuurveld waarin het soms dringen voelt. Naar buiten gaan en af en toe andere oorden opzoeken, is net wat ademruimte en inspiratie zal blijven geven.”
Noemi: “Dat geldt trouwens niet enkel voor artiesten, maar ook voor de rest van de sector. Op het vlak van kennisuitwisseling, reflectie, praktijkontwikkeling, … is het vaak relevant om te connecteren met peers uit andere landen. Kortom, voor een nichesector als circus is de internationale context niet weg te denken. De belangrijkste uitdagingen liggen op het vlak van mobiliteit – hoe kan dit zo ecologisch en efficiënt mogelijk? – en de volhoudbaarheid voor de artiesten. Onze buurlanden zijn evidente partners; met hen moeten we zeker de banden verder aanhalen. Maar ook met verder gelegen regio’s als de Noordse & Baltische landen en Québec – waar circus sterk leeft – worden de komende jaren samenwerkingen uitgerold. Het is trouwens gek dat dit onderwerp pas nu, helemaal op het einde van dit gesprek aan bod komt, want het is één van mijn stokpaardjes. Ik ben professioneel actief geweest in verschillende delen van de cultuursector, en nergens was het internationaal werken een zo voor de hand liggende evidentie.”
Auteur: Maarten Verhelst
Dit artikel verscheen in Circusmagazine #81 - special in het kader van de landschapstekening (november 2024)
Circusmagazine is het driemaandelijks tijdschrift voor de circuskunst. Op eigentijdse wijze bericht het over verleden, heden en toekomst van de circuswereld in Vlaanderen and beyond.
Abonneer je hier