Voor wie Collectif Malunés kent als een groep virtuoze acrobaten, is Arne Sabbe misschien in de eerste plaats de indrukwekkende vlieger. Maar achter die fysieke kracht schuilt ook een bedachtzame maker, voor wie beweging, filosofie en leven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In gesprek met Circusmagazine vertelt hij hoe de Japanse verdedigingskunst aikido al jaren als een onderstroom door zijn werk en denken loopt.
Die verbinding gaat ver terug. Op zijn achttiende deed Sabbe auditie voor ESAC en ACaPA met een nummer rond martial arts, geïnspireerd door de Japanse mangaserie Naruto. Het was een speelse, jeugdige interpretatie van iemand die gefascineerd is door het onderwerp, een wervelwind van energie, en tegelijk ook het begin van een diepere fascinatie. Zijn eerste kennismaking met aikido dateert zelfs van nog vroeger, toen hij zeventien was. “Ik was meteen geboeid. Niet zozeer door de beweging zelf, maar door de filosofie erachter.”
Kan je iets meer vertellen over de filosofie achter aikido?
Arne Sabbe: “De naam zelf, aikido, betekent letterlijk ‘de weg van de harmonie’. Het gaat over harmonie vinden met jezelf en met je partner. Je werkt echt samen met je partner, het is geen tegenstander zoals in karate of Muay Thai. Je hebt een uke en een tori, iemand die trekt en iemand die duwt, een ontvanger en een gever. Daar gaat het hele samenspel over. De achterliggende idee van harmonie vind je in ongeveer alle Japanse krijgskunsten wel terug, maar aikido is daar zo hard op gebaseerd. Het gaat over een goede lijn vinden met jezelf en hoe je vloeiend in het leven kan staan. Dat is ook wat ki no nagare wil zeggen (de naam van Arnes nieuwste voorstelling, red.), het is een term uit aikido en betekent ‘vloeiende energie’. Alle energie die binnenkomt probeer je niet weg te duwen of terug te kaatsen, maar je gaat die energie absorberen en op een intelligente en bruikbare manier omleiden. Het teken van aikido is dan ook de spiraal.
Dat idee is voor mij veel groter geworden dan alleen de fysieke training. Uiteindelijk valt werkelijk álles te herleiden tot aikido: op een wiebelende bus zitten en daar een evenwicht zoeken bijvoorbeeld, maar het is evengoed een vangnet om op terug te vallen wanneer ik niet zo goed in mijn hoofd zit. Daarnaast zijn er de rituelen: je schoenen uitdoen, de mat groeten, een korte zazen (meditatie, red.) vooraleer je start met oefenen, een mokuso (meditatie, red.) om af te sluiten. Al die kleine handelingen en tradities, dat helpt om te focussen en even alles los te laten. Wat er buiten de dojo (trainingszaal, red.) gebeurt, blijft daar. Het leven naast de mat nemen we niet mee en we concentreren ons enkel op het ontplooien van onszelf en het ontdekken van de oefeningen met je partner.”
Ik zie best veel parallellen met yoga. Wat in het Westen ‘verkocht’ wordt als yoga is eigenlijk asana, de houdingen, maar dat is slechts een kleine fractie van wat yoga (letterlijk ‘verbinding’), de complete filosofie, inhoudt.
“Aikido wordt ook echt anders beoefend hier dan in Japan. Toen ik daar was, merkte ik dat het een levensstijl is. Er zijn heel veel codes en er heerst veel toewijding. Een kantje dat ik minder apprecieer, is de hiërarchie die eraan vasthangt, maar dat is dan ook heel eigen aan de Japanse cultuur. Het ging er voor mij een beetje over, maar aan de andere kant is het ook wel dat wat aikido maakt wat aikido is. In die hiërarchie huist veel respect voor de sensei (leraar, red.), voor je partner, voor de leden van de dojo. Dat respect reikt ook verder, niet alleen tegenover andere mensen maar ook in het leven in het algemeen: voor dingen, voor situaties. Mijn sensei in Brugge vertelde altijd heel veel verhalen over Japan en over het ontstaan van aikido. Het werden soms bijna filosofielessen. Eigenlijk trainden we niet zo veel in die dojo. En hoewel ik als jonge gast van 17 veel honger had naar beweging – ik had me evengoed kunnen focussen op karate en in de competitie gaan – koos ik er toch voor om de meer filosofische kant van martial arts te omarmen. De fysieke praktijk van aikido vraagt heel veel concentratie want het zijn allemaal kleine uiterst precieze beweginkjes. Het moet in je lichaam sluipen, daar gaat tijd over. En dat gaat hand in hand met de filosofische inzichten.”
Zowel in circus als in martial arts speelt discipline een grote rol. Hoe verhoud jij je vandaag tot die discipline?
“Veel soepeler dan vroeger. (lacht) Ik denk dat dat ook de leeftijd is. Ik trainde vroeger echt veel. En hárd. Nu minder, mijn lichaam begint gewoon ook overal wat meer pijn te doen. Ki no nagare heeft ook echt wel zijn weg gevonden door onder andere blessures. Ik heb in dit creatieproces geleerd om anders te werk te gaan, efficiënter, omdat ik niet anders kon. Daar kwam nog bij dat mijn partner, Maxime Gérard, veel minder secuur is dan ik. Ik wil graag de dingen proper en perfect afgewerkt. Maxime is helemaal niet zo. Onze samenwerking bleek een interessant leerproces. Ik heb geprobeerd om hem discipline bij te brengen. Ik ga niet beweren dat ik daarin geslaagd ben, maar laat ons zeggen dat we samen een mooie middenweg hebben gevonden. Dat ligt opnieuw in de lijn van de zoektocht naar harmonie. In aikido kan een kleine draaiing of plooiing van een vingertje invloed hebben op het al dan niet werken van een oefening, dus zodra je niet volledig samenwerkt, lukt het niet. Zeker met Maxime! Dat is een gast van 110 kg, die weegt letterlijk twee keer zoveel als ik, die is véél sterker dan ik. Ik kan met hem geen aikido beoefenen als niet alles perfect klopt. We moeten echt samen naar oplossingen zoeken en daar ging hij gelukkig wel in mee – ook al beweert hij dat hij niet in aikido gelooft.”
Maar Maxime had wel ervaring met aikido?
“Helemaal niet! Het was dus echt niet gemakkelijk, want aikido is zoveel meer dan gewoon bewegingen uitvoeren. We zijn nu drie jaar verder in het proces en hij snapt het een beetje meer. De principes van energie nemen en teruggeven zijn zeker al binnengesijpeld, maar ik denk dat hij nooit een echte aikidoka zal zijn. Hij deelt niet dezelfde filosofie en kan zich niet vinden in de extreme precisie. Ergens hoop ik dat ik hem nog kan overtuigen, maar hij staat gewoon helemaal anders in het leven dan ik, en daar heb ik respect voor. De techniek is beetje bij beetje in mijn lichaam geslopen, maar ik heb wel al vanaf dag één gevoeld dat aikido meer voor mij kon betekenen dan gewoon een bewegingstechniek. Zelfs al gaat het tegen mijn natuur in. Ik ben heel dynamisch en explosief, maar aikido is net supertraag en rond. Het verplicht mij om te vertragen. Het helpt mij om mezelf terug op de baan te leiden als ik ontspoor. Maxime is snel tevreden, die zegt ‘voilà, on fait comme ça, ça marche’. Terwijl ik eerder zoiets heb van ‘nee nee nee, een klein beetje naar daar, dan terug, die vuist moet zo georiënteerd en dan zo en dán pas gaan we meevolgen…’”
Kan je dan je geduld bewaren? Is het niet moeilijk om helemaal naar de basics terug te keren en daar veel tijd aan te besteden?
“Dat is een ongelooflijk proces geweest voor mij. Maxime heeft bovendien geen professionele circusopleiding gevolgd, hij komt meer van het theater. Hij deed wel partneracro maar dan icarian, minder main à main zoals ik. Bij icarian ligt de drager op zijn rug en werkt die voornamelijk met de voeten, hetgeen we veel doen in de voorstelling. Oorspronkelijk wilde ik vooral main à main doen, hoor, maar dat idee is ook wat weggedreven. Als ik er zo over nadenk, is het eigenlijk heel gek dat ik voor Maxime heb gekozen, maar het voelde als een soort investering in de toekomst. Ondanks het feit dat ik veel meer ervaring had, zowel in aikido als in acrobatie, heb ik ook echt enorm veel van Maxime geleerd. De puzzel heeft zichzelf gelegd. Ik heb serieuze polsblessures, dus eigenlijk was main à main zelfs geen optie meer, icarian bleek een waardig alternatief. Hetzelfde geldt trouwens voor al de klemmen in aikido – want dat zijn één en al polsklemmen – die kon ik ook niet meer doen. Dus eigenlijk is ons werk gebaseerd op aikidotechnieken, maar pure aikido doen we zeker niet. Wat voor mij gedurende de hele creatie een heel grote frustratie was, heeft ons werk een zodanig unieke draai gegeven dat het echt óns duo is. Het is een heel mooie symbiose geworden.”
Hoe was het om voor de eerste keer niet in een collectief te werken?
“Ik heb enorm veel geleerd. Het project zit zo wat binnen en buiten het collectief. Ik heb een beetje moeten vechten tegen de machine Malunés omdat alle energie naar Tout va hyper bien ging. Dat was voor mij heel duidelijk van in het begin, maar het bleek toch een groot gemis. Het is pas de laatste zes maanden dat Collectif Malunés mij echt hulp aanbiedt. Ik heb de hele productie van a tot z zelf gedaan, samen met Marie Couwenberg. Gelukkig was zij er, ze heeft mij supergoed geholpen. Ik heb altijd gecreëerd in collectief, zowel artistiek als productioneel. Nu waren het allemaal mijn eigen ideeën, ik die heel de productie en het creatieproces moest leiden. Ik had het gevoel dat ik opnieuw van nul startte, dat ik net terug van school kwam!
Mijn jarenlange luchtacropartner Luke Horley was een extern oog en, omdat we elkaar door en door kennen, de perfecte vertaler van wat er in mijn hoofd zat naar het team toe. Op die manier voelde ik me toch nog verbonden met het collectief. Ook Simon Bruyninckx gaf regelmatig tips en advies van aan de zijlijn. Voor hun vriendschap en kennis ben ik heel dankbaar. En dan nu spelen en naar buiten komen met het artistiek ei dat ik gelegd heb, oh ja, dat voelt best onzeker. Ik voel wel dat de voorstelling goed wordt ontvangen en dat doet deugd.”
Klopt het dat er een heel persoonlijk verhaal aan de grondslag van je voorstelling ligt?
“Ik ben mijn jongere zus verloren aan anorexia toen ze 25 was, ze werd ziek toen ze 8 was. Ik voelde de nood om daarrond iets te doen. Het ligt er niet vingerdik op in de voorstelling – je ziet het erin of niet – maar het was wel mijn inspiratiebron. Mijn zus was mijn beste maatje, wij waren twee handen op één buik. Ze was turnster op hoog niveau, was belachelijk goed in alles, belachelijk perfectionistisch ook. Ze raakte iets aan en was daar meteen de beste in! Maar haar talenten waren ook haar duivel. Het is een trauma, heel onze jeugd stond in het teken van anorexia. Ik ben opgegroeid met die ziekte. Daarom wilde ik werken rond body positivity/body negativity, het aanvaarden van je lichaam zoals het is, in deze samenleving. Vandaar dat ik een partner zocht met een goed gevuld lichaam. Ik wilde dat thema combineren met aikido omdat ik daar ook al zó lang iets wilde mee doen – zowel technisch als filosofisch.
Tijdens de creatie ben ik minder specifiek gaan nadenken over anorexia of hoe ik dat wilde uitbeelden, maar sprokkelde ik inspiratie uit wat ik thuis gezien en beleefd heb: iemand hulp aanbieden, hoe die hulp wordt opgezogen, het heeft ook een parasitair kantje want het gaat véél verder dan alleen eten. Er was zo veel ruzie bij ons thuis, altijd strijd. Mijn moeder en mijn zus hadden een heel nauwe band, maar ze trokken elkaar ook superhard naar beneden. Je ziet dat misschien niet allemaal in de voorstelling, maar het was wel mijn insteek. Als ik dan mensen hoor babbelen over het eindresultaat, over hoe goed of slecht of saai of niet saai ze het vonden, dan voel ik me zo fragiel. Het is een stukje van mijn jeugd, en van mijn ziel, dat ik blootleg, weliswaar op een abstracte manier. Tegelijkertijd denk ik ook ‘je m’en fous!’ Ik heb gewoon keihard gewerkt om die voorstelling neer te zetten. Ik heb één lang pad van onzekerheden afgelegd: het collectief een beetje ‘verlaten’, werken rond iets persoonlijks, met twee artiesten die ik van haar noch pluim ken, mijn blessures, een relatiebreuk… Amai, ik heb tsuki’s (slagen, red.) gekregen de laatste drie jaar! Dus ja, het was en is een heel fragiel en emotioneel project.”
Auteur: Karlien De Savoye
Foto’s: Jostijn Ligtvoet
Dit artikel verscheen in Circusmagazine #86 (mei 2026)
Circusmagazine is het driemaandelijks tijdschrift voor de circuskunst. Op eigentijdse wijze bericht het over verleden, heden en toekomst van de circuswereld in Vlaanderen and beyond.
Abonneer je hier