Politici houden van circus, misschien omdat het zo ongevaarlijk lijkt: een acrobaat, een clown, een jongleur. Circushistoricus Pascal Jacob ziet dat anders. Van Moskou over Shanghai tot een weide in Illinois: “Als we beren kunnen africhten, stel je dan voor wat we met wapens kunnen.”
Interview met circushistoricus Pascal Jacob:
“Circus is nooit onschuldig”
Een tank rijdt de piste binnen. Hij is van hout, eigenlijk speelgoed, maar met het zwarte kruis op de flank voelt hij niet zo. In de tank zit Karandasj zelf, de grootste clown van de Sovjet-Unie. Hij speelt een Duitse soldaat: met een dierenmasker op en een bijl in de hand rijdt hij de piste rond en roept “Nach Moskau!”. Plots ontploft het ding en Karandasj kruipt in flarden onder de tank uit. In de zaal wordt tegelijk gehuild en gelachen.
“Zelfs een clown kan een tank vernielen. Dat was de boodschap”, zegt Pascal Jacob. De anekdote over Karandasj stamt uit de Tweede Wereldoorlog, toen het Duitse leger tot dicht bij de grens was opgerukt. “Alle circusartiesten werd gevraagd om mee te helpen. De bevolking moest voelen: het land is sterk. Je kunt gewoon naar het circus komen, het Duitse leger kan ons niet schelen. Ze geraken hier nooit.”
Momenteel schrijft Pascal Jacob een boek over circus en oorlog. “Een work in progress”, noemt hij het. Niet gespeend van ironie.
Jacob kent het circus van binnenuit. Hij werkte voor Ringling Bros. and Barnum & Bailey en voor Franco Dragone en reisde veelvuldig naar China. Vandaag doceert hij aan de Académie Fratellini in Parijs en aan de École nationale de cirque in Montreal. Momenteel schrijft hij een boek over circus en oorlog. “Een work in progress”, noemt hij het. Niet gespeend van ironie.
Circus wordt vaak gezien als onschuldig vermaak, zonder uitgesproken mening. “Op het eerste gezicht is circus een heel charmante vorm. Het is geen theater waar je met woorden expliciete boodschappen kan geven. Maar net daarom hebben Rusland, de voormalige Sovjet-Unie, en China circus altijd graag als propaganda gebruikt.”
De Sovjet-Unie stuurde ongelooflijke artiesten de wereld rond. Vliegende trapezes, dresseurs met leeuwen en beren traden op onder de gezamenlijke legendarische naam van het Moskouse of Russische Staatscircus. Voor het publiek in het Westen was de boodschap volgens Jacob kristalhelder. “Als we dit kunnen met circus, iets wat helemaal niet nuttig is, stel je dan voor wat we kunnen met ons leger. Als we beren kunnen africhten, stel je dan voor wat we kunnen met wapens. Het was een spiegeleffect.”
In 1983 reist Jacob met een groep circusfans uit het Westen, onder wie Chris Krenger, persverantwoordelijke van Circus Knie, en dr. Thomas Althaus, een vooraanstaand zoöloog, naar Moskou. Een elegante man van het Sovjetcircus ontvangt hen en nodigt uit tot vragen. In het Westen woedt op dat moment een debat over de longe, de veiligheidslijn voor acrobaten. “Veel westerse circusmensen zeiden: wie een longe gebruikt, beheerst zijn truc niet, het is niet waarachtig. Vandaag lijkt die discussie absurd, maar toen was het een echt debat. In het Sovjetcircus hing bij elk gevaarlijk nummer iedereen aan een lijn. Iemand uit de groep vroeg ernaar maar de man was heel duidelijk. Voor ons is een longe belangrijker dan een gebed. En daarmee was de discussie gesloten.”
De artiesten in het Sovjetcircus maakten deel uit van die wereldvisie. Die visie maar ook die artiesten moest je beschermen.
Voor Jacob is ook dat politiek. “Het was zijn manier om te zeggen: jullie zitten in de oude wereld, wij in de nieuwe. In de traditionele circusfamilies in Europa wijd je je leven aan het circus, en ben je bereid het te verliezen. Het Sovjetcircus zag het net anders. Hun artiesten waren deel van hun visie op de wereld. Die moest je beschermen.”
De twee bestbetaalde beroepsgroepen in de Sovjet-Unie waren volgens Jacob dansers en clowns. Verwonderlijk misschien, want clowns lopen toch minder risico. Of dat zou je toch denken. “Het risico is dat je niet grappig bent. Als ze niet lachen, ga je in zekere zin dood. En clowns droegen ook de ideologie uit.” In 1960 roept de Communistische Partij alle clowns van de Sovjet-Unie samen in Moskou voor een groot symposium. De vraag is: hoe kunnen jullie ons helpen bij de revolutie in eigen land? Oleg Popov bedenkt een nummer met een bom midden in de piste. Hij komt op, bekijkt het ding, probeert het open te krijgen en blaast erop. De bom gaat open, er komt een bloem uit. “Pure propaganda”, aldus Jacob. “En verdwenen is dat vocabularium niet. Ook vandaag duiken in Russische circustenten weer tanks op.”
Maar in de Sovjet-Unie klonk ook een tegenstem. Begin jaren tachtig ontstaat in Leningrad Litsedei, een groep activistische clowns rond Slava Polunin. Met rook op de scène tonen ze het publiek de nachtmerrie van Tsjernobyl. “Uiteindelijk wordt hun werk toch te subversief gevonden om in Rusland te kunnen blijven en trekken ze naar het Westen.” In 1989 staan ze met hun Mir Caravan voor de Brandenburger Tor in Berlijn. Mir betekent vrede.
In 1990, een jaar voor het einde van de Sovjet-Unie, ziet Jacob hen spelen op de scène van het Ranelagh, een klein Parijs theater onder leiding van Madona Bouglione. Sur la route de Sienne heet de voorstelling: een woordloze Romeo en Julia, met alleen mannen op het podium. Het gevecht tussen de twee families aan het slot is een herinterpretatie van Tsjernobyl, vol rook, gasmaskers, lawaai en muziek. “De mensen waren geschokt.”
Slava Polunin is nog altijd actief in het circus. Polunin bedacht later de sneeuwstorm die in Alegría van Cirque du Soleil het publiek overvalt, en bouwde daarop Slava’s Snowshow, die de wereld rondtoert. “Het blijft doordrongen van het verlangen naar een betere samenleving. Maar het is ook een show: maatschappelijk bewust, maar een show.”
In 1994 reist Jacob voor het eerst naar China, naar het festival van Wuhan en naar Peking. “Veel fietsen, weinig auto’s, de luchthaven van Wuhan was toen niet meer dan een huisje in het niets. Vandaag is ze groter dan eender welke Europese luchthaven.”
De Chinese acrobatie is duizenden jaren oud, en altijd met de macht verbonden geweest, zegt hij. Rond 714 opende de Tang-dynastie de eerste acrobatenschool ter wereld. De Qing sloten de school in 1727, veel artiesten trokken weg, onder meer naar Rusland. Na de revolutie, in 1950, krijgen de partijleiders een voorstelling te zien van een twintigtal acrobaten. “Ze waren zo onder de indruk dat ze zeiden: hier hebben we iets om onze macht uit te drukken. Dat moeten we heropbouwen.” Eerst kwam er een nationale troep in Peking, kort daarna volgden Shanghai, Chongqing, Shenyang, Dalian en Wuhan.
Wij zien een bord niet als circusattribuut. Voor China is dat een symbool, verbonden met hun gemeenschap en dus de natie.
Wat Jacob vooral trof tijdens zijn eerste reis, waren de attributen. “China is lang geen rijk land geweest. Dus gebruikten ze stoelen, tafels, een kom. Dingen uit het dagelijkse leven. Wij zien een bord niet als circusattribuut. Wij zien in een stoel niet het begin van een ongelooflijke toren met iemand bovenaan. Zij verheffen iets heel neutraals tot een symbool dat verbonden is met hun gemeenschap en dus de natie.”
Daarbij hoort een strikt gecodeerd repertoire: het bordjesnummer, de fiets, de handstand op stoelen. “In het Westen heeft een circusvoorstelling zelden met de identiteit van de natie te maken. In China altijd. En die cultuur stuur je als exportproduct naar het buitenland, als spiegel van de macht van China.”
In Parijs blies elke ochtend iemand op een fluitje. De troep stond in het gelid op het podium, handen op de rug. Een generaal gaf de bevelen voor de dag.
Jacob vertelt over een spectaculaire pas de deux van de militaire troep van Guangdong, waarmee hij destijds in Parijs samenwerkte. Een danseres staat op spitzen op de schouder van haar partner, op één been, en draait. “Elke dag zocht ik de draad. Het leek me onmogelijk, geen mens kan dat.” Het nummer gaat terug op een legende uit de Han-dynastie: Zhao Feiyan, een meisje lichter dan de wind, dat danste op de handpalm van haar partner. “Je ziet het niet, de acrobaten zijn gekleed als balletdansers, maar beide artiesten waren officier in het Chinese leger.”
Vroeger waren sommige acrobatische troepen, zoals The Flag uit Kunming (die met Cirque du Soleil samenwerkte voor de creatie van Dralion), militaire troepen. “Je moet dat vergelijken met de gymnastiekgroep van de Parijse brandweer (Brigade de sapeurs-pompiers de Paris), of de Royal Canadian Mounted Police die bestaat uit federale agenten maar die ook ruitershows geeft. De artiesten blijven soldaten, met hun graden, maar ze besteden het grootste deel van hun tijd aan hun vak. Al was de ochtendopwarming van de Chinese troepen die ik toen bijwoonde toch wel speciaal. In Parijs blies elke ochtend iemand op een fluitje. De troep stond in het gelid op het podium, handen op de rug. Een generaal gaf de bevelen voor de dag.” De grote militaire troepen, zo’n vijf of zes in totaal, met honderden artiesten, zijn de afgelopen vijf à tien jaar allemaal opgeheven. “Ooit was acrobatie het beste wat China te bieden had. Vandaag zijn dat vliegtuigen en technologie.”
In de tijd van de eenkindpolitiek was het een eer voor arme families om een circusartiest in hun midden te hebben. “Het was een sociale upgrade. Een beter loon, bescherming gedurende je ganse loopbaan, je kon je familie helpen.” De selectie in de Chinese circusscholen was vroeger keihard. Om de zeven jaar gingen de deuren open voor een nieuwe lichting. Kinderen kwamen binnen rond zeven of acht jaar, golden op hun veertiende als volwassen troeplid en gingen op hun vierentwintigste met pensioen. “Op de leeftijd waarop onze studenten beginnen werken, hadden zij al een ganse circuscarrière erop zitten.” Daarna werden ze kok, lesgever of kostuummaker in de troep, of keerden ze terug naar het gewone leven. Een contorsioniste die in 1983 schitterde op het festival Cirque de Demain, baat vandaag een Chinees restaurant uit in de buitenwijken van Parijs. Een andere acrobate herkende Jacob ooit als taxichauffeur in Parijs.
Je vraagt een Chinees kind niet om creatief te zijn. Je vraagt het om de beste te zijn.
In Europa herinneren we ons nog altijd de beelden uit documentaires van kinderen die bijzonder streng, fysiek bijna gemarteld worden tijdens hun opleiding aan de circusschool in China. Volgens Jacob is dat enigszins een overtrokken beeld. “Het is streng, heel streng als je het vergelijkt met de circusschool in het Westen. Maar dat is niet anders dan de balletschool van de Opera van Parijs, of een topsportcentrum waar jongeren bijna elke ochtend rond zes uur in het zwembad liggen. Je vraagt een Chinees kind ook niet om creatief te zijn. Je vraagt het om de beste te zijn. De creatieve input komt van de leraar en van het repertoire van de troep, nooit van de student.”
Toch verschuift er stilaan iets. In Shanghai zag Jacob een van de beste acrobaten van de troep de lijst met promoties bekijken. Hij stond er niet op, hoewel het hem beloofd was. Hij vertrok, terug naar zijn ouders, om fruit te verkopen op de markt. “Vroeger was dat ondenkbaar, circusartiest worden was een droom. Gezinnen sturen hun kind liever naar een handelsschool.”
Dat China het circus niet helemaal heeft losgelaten, zag Jacob in 2021. Voor de verjaardag van de Communistische Partij kregen troepen veel geld voor politieke voorstellingen. Hij zag ze in Chongqing en Shanghai: rode vlaggen, een koor, een draaiend decor met het kantoor van het leger van de Kwomintang en gebouwen aan de rivier. “Het was heel Broadway-like. Heel letterlijk. Geen ruimte voor verbeelding.”
Als je Chinees bent, huil je. Als je uit Shanghai komt, huil je twee keer. En als je toerist bent, heb je tenminste een bijzondere circusvoorstelling gezien.
Kleine, magere mannen werden getypecast als officieren van de Kwomintang (benaming voor de Chinese Nationalistische Partij die in de Chinese burgeroorlog de grote tegenstander van de Communistische Partij was). “Je voelde het direct in de zaal: de mensen haatten hen meteen. Het zit er nog altijd ingebakken. Het is pure propaganda.” Tot het slotbeeld komt, het monument voor de soldaten die sneuvelden voor de bevrijding van Shanghai. In gouden licht, in gescheurde uniformen, bouwen acrobaten een levend monument. “Zelfs ik was ontroerd. Als je Chinees bent, huil je. Als je uit Shanghai komt, huil je twee keer. En als je toerist bent, heb je tenminste een bijzondere circusvoorstelling gezien.”
Propaganda kan ook de andere kant uit. Toen de acrobatische danscompagnie Shen Yun voor het eerst in Parijs speelde, in het Palais des Congrès, ging Jacob kijken en was hij verbaasd want dit was geen circus en al zeker geen acrobatie op Chinees niveau. Na het eerste deel begreep hij het. “Het is geen Chinese groep. Het zijn Amerikanen, uit de Chinese diaspora. En de voorstelling is duidelijk propaganda tegen het communistische China.”
Jacob geeft les in Parijs, maar ook in Montreal, aan de École nationale de cirque. Die school is een kweekvijver voor Frans-Canadese gezelschappen, maar ook voor enkele Europese. Voor Québec is circus een belangrijk cultureel exportproduct, maar voor Jacob zit het interessante verhaal in hoe het begon, met de oprichting van Cirque du Soleil. “Premier René Lévesque van Québec maakte publiek geld vrij voor een circus dat de Québecse verbeelding moest dragen. Dat was een uitgesproken politieke keuze.”
Heel anders is de situatie in Amerika. The greatest show on Earth is er momenteel het politieke circus. Met uitzondering van een uitgesproken politieke queerclownscene in Los Angeles, ligt het échte circus er op apegapen. “In Frankrijk hebben we vierhonderdvijftig gezelschappen. In Amerika zijn er misschien veertig. De circusschool van Philadelphia sloot een paar maanden geleden”, vertelt Jacob.
In Europa heb je het traditionele circus, het nouveau cirque, het hedendaagse circus en het activisme, en ze zijn met elkaar verbonden. “In Amerika heb je een paar traditionele circussen en activisme. Niets daartussen. Voor Amerikanen is modern circus Cirque du Soleil, en dat is Frans-Canadees.” Zijn studenten uit Montreal laten de Verenigde Staten link liggen. Ze blijven liever in Quebec of trekken naar Europa.
In Frankrijk zeggen we: het traditionele circus staat rechts, het hedendaagse duidelijk links. Maar in Amerika heb je geen links. Zelfs de Democraten zitten in het centrum.
Rond 1900 draaide het Amerikaanse circus om geld, veel geld. “In Frankrijk is circus een familiezaak. In Amerika was het alleen zaken.” John Ringling werd met circus een van de rijkste mannen van het land. “Het was nooit een culturele vorm. Daarom is er vandaag geen stad of staat die geld wil steken in een echte circusschool. Er is geen culturele visie. Ook die afwezigheid is politiek.”
“In Frankrijk zeggen we: het traditionele circus staat meestal rechts, het hedendaagse duidelijk links. Maar in Amerika heb je geen links. Zelfs de Democraten zitten in het centrum. Toch was het Pickle Family Circus uit San Francisco in de jaren zeventig zeker politiek. Het circus werd in 1974 opgericht door Peggy Snider, Larry Pisoni en Cecil MacKinnon. Ze kwamen alle drie uit de San Francisco Mime Troupe, een geëngageerd theatergezelschap dat het guerrillatheater aanhing, en hielden dus een sterke sociale bewogenheid vast. Het gezelschap werd democratisch geleid, gaf voorrang aan straattheater en organiseerde sociale tournees in en voor de gemeenschap. Het Pickle Family Circus was een van de eerste circussen die de genderstereotypen doorbraken die diep in het traditionele circus geworteld zaten. Het was gebouwd op absolute loongelijkheid en leefde van subsidies, waardoor het zijn kunst rechtstreeks in dienst stelde van de sociale rechtvaardigheid ter plaatse. Het politieke engagement werd niet verteld, het werd geleefd.”
Het beeld dat hem bijblijft, is vijftien jaar oud. Jacob is op zoek naar artiesten voor Ringling, in Paris, Illinois. “Niet in Frankrijk”, lacht hij. Een klein circus, in the middle of nowhere. Er nadert een storm, de lucht kleurt oranje en paars. De sheriff beveelt de tent af te breken, voor ze wegwaait. Dus roepen ze de olifant erbij, om te helpen trekken, zoals in de negentiende eeuw. “Het was een ongelooflijk beeld. We waren een eeuw terug in de tijd. Voor veel Amerikanen is circus enkel nog dit: pure nostalgie.”
Auteur: Liv Laveyne
11 september 2026
Elk jaar zoomt Circuscentrum in op een thema dat leeft in de circussector én daarbuiten. In 2026 onderzoeken we onder de noemer Circus & Democratie de relaties tussen circus, macht en samenleving. Van clownactivisme en verzet tot circus onder autoritaire regimes: via analyses, opinies, interviews en good practices volgen we de politieke sporen van circus in Vlaanderen tot ver daarbuiten.
Ontdek ook de andere artikels binnen ons jaarthema Circus & Democratie.
Circusmagazine bericht op eigentijdse wijze het over verleden, heden en toekomst van de circuswereld in Vlaanderen and beyond.
Lees het hier