‘Een mens is een museum op zich’ wordt wel eens gezegd. Dat geldt zeker voor Jan Inghelbrecht, wiens circuscollectie twee huizen beslaat, maar ook nog eens 86 miljard neuronen in zijn hoofd want bij elk object hoort een verhaal, vol stambomen, intriges van liefdes en vetes, maar vooral vol passie.
Jan Inghelbrecht was een jongetje van 11 jaar toen hij een circusaffiche in zijn handen gedrukt kreeg van Guy Puttevils, een vriend van zijn opa en notoir circusliefhebber. ‘Manneke, ge moet dat goed bewaren want deze affiche gaat nog geschiedenis worden,’ zei die aan de jonge Inghelbrecht. “We spreken nu over de jaren zestig. De term erfgoed bestond nog niet. Puttevils is altijd mijn voorbeeld gebleven en was de sleutel tot het traditioneel circus dat nog altijd een gesloten gemeenschap is. Je moet als gadjo (Romani taal voor vreemdeling, red.) geïntroduceerd worden door iemand die ze vertrouwen, maar eenmaal binnen, laat het circus je ook niet meer los.”
Meer dan vijf decennia later is die kleine jongen van elf een man vers op pensioen en is zijn eerste affiche uitgegroeid tot een collectie die drie verdiepingen van een huis in Aalst beslaat. Meer nog. Inghelbrecht heeft ook zijn appartement in Oostende waar hij nog meer circusspullen stockeert. Drie jaar geleden trok Jan in bij zijn geliefde Koen in Aalst. En met hem duizenden affiches en boeken, meer dan honderd kostuums, meerdere circusmaquettes, een uitgebreid fotoarchief, allerhande drukwerk, rekwisieten en ontelbare parafernalia. Tussen Jan en Koen, die zelf een verzamelaar is van alles wat hij mooi vindt, geldt de afspraak: elk zijn terrein, maar – eerlijk is eerlijk – Jan trekt aan het langste eind: alles ademt hier circus. Van de gang, tot de bibliotheek, van de twee slaapkamers (waarvan één opgeofferd tot ‘de circuskamer’) tot de zolder waar de kostuums hangen. Het huis diende zelfs structureel verbouwd te worden. Liefde is… circus. En hier is circus ook liefde. “Mensen die hier op bezoek komen, vragen altijd: ‘Heb jij nog plaats?’ en dan zeg ik: ‘Nee, maar ik kan plaats maken.’ Morgen gaan we een olieverfschilderij, waarop Circus Semay staat afgebeeld, ophalen in Middelkerke, hé Koen?” zegt Jan. Koen rolt met zijn ogen. De lijn schuift weer wat op.
We voelen onszelf ook een beetje als gadjo’s, zoals we hier ingewijd worden in alle verhalen. Koffers gaan open als schatkisten, met kostuums vol pailletten als goud. Of het tot schminkdoos omgebouwde naaikoffertje van Babusio: het lijkt alsof de befaamde clown ieder moment kan terugkomen om zijn gezicht te poederen. Al lijkt de rubberen neus zo verstorven dat een ademtocht die magie met een vingerknip ook weer kan doen verdwijnen. Treed binnen in de grot van Ali Baba voor elke circus lover.
De muren staan van grond tot plafond vol boeken gecatalogiseerd per discipline zoals jongleren, clownerie… maar ook ‘circus in de fotografie’, ‘circus in de kunst’, ‘biografieën’. Alles netjes gerangschikt. Niet verwonderlijk aangezien Inghelbrecht jarenlang in de bibliotheek in Oostende werkte. Nu is hij nog één dag per week vrijwilliger in het Huis van Alijn in Gent, dat een circuscollectie heeft. Hij gaat er samen met een andere notoir verzamelaar, André De Poorter, 800 stuks van een beschrijving voorzien: kostuums, instrumenten en rekwisieten. Op vraag van het Huis van Alijn restaureerde hij ook al de prachtige tentmaquette van Cirkus Demuynck die na jaren stof te vergaren in een Mechels depot nu in het Gentse Wintercircus prijkt. “Ik ben het cliché van een gepensioneerde die het elke dag te druk heeft. Ik heb een groot online netwerk, stroop rommelmarkten en veilingen af, ruil met collectioneurs en musea... Een dag zonder circus is een dag niet geleefd.”
De focus van Inghelbrechts collectie ligt op de traditionele circussen in Europa. Daarnaast heeft hij nog een digitaal archief met meer dan 16.000 foto’s. Voor de bibliotheekkast op een sokkel prijkt een bronzen beeldje van de beroemde Zwitserse muzikale clown Grock. “Mijn fetisjclown,” noemt Inghelbrecht hem liefdevol. “Grock is gestorven in 1959, het jaar waarin ik geboren ben. Hij was technisch erg verfijnd en zijn timing was onnavolgbaar. Maar hij schijnt ook een rotkarakter gehad te hebben, hij was de vedette en kon geen concurrentie in de piste verdragen. Hij had ooit een Vlaamse ‘aangever’ in de piste, accordeonist Fiers, maar ook die samenwerking was van korte duur.”
In het midden van de kamer staan zware reiskoffers, volgeplakt met stickers: hotel Savoy, Ringling Brothers Barnum & Bailey Madison Square Garden… “Mochten deze oude reiskoffers kunnen spreken, ze zouden nog meer te vertellen hebben dan ik,” lacht Inghelbrecht. Hij opent een kist die toebehoorde aan een paardrijdster van de Loyal-dynastie. “In het circus wordt de spreekstalmeester in het Frans monsieur Loyal genoemd. Dat is een begrip geworden, maar komt eigenlijk van een lid van deze familie, tweede helft 18de eeuw. Tijdens een voorstelling in Brussel ontmoette ik in het publiek een dame van die familie. Ze was zelf nooit in de piste verschenen maar ik kon haar veel vertellen over haar rijke familiegeschiedenis. Ze zei me dat ze thuis koffers vol kostuums, foto’s, contracten en muziekinstrumenten had, maar dat ze ging verbouwen en al die spullen klaarstonden om naar het containerpark te gaan. Ik heb nog nooit zo snel in Brussel gestaan.”
De koffer, gemaakt in 1911, bevat kostuums, een pruik, een waaier en was eigendom van Léris Loyal. “Ze had een act waarbij ze ladderzat haar nummer te paard eindigde. Haar man was een zoon van de Spaanse clown Barraceta.” Inghelbrecht toont enkele op zijde geschilderde lappen stof met de afbeelding van een stier. Hij bewaart alles in zuurvrij papier zoals de voorschriften voor goede conservatie voorschrijven. “Ik probeer zo veel mogelijk met zuurvrij papier te bewaren, plastiek probeer ik bewust te vermijden. Maar goed conserveren is een kostelijke zaak. “Nu heb ik onlangs gehoord dat zuurvrij papier zijn effect al zou verliezen na 15 jaar. De adviezen rond conserveren durven nogal eens veranderen. Vroeger werden affiches op linnen gezet om te bewaren maar dan daalt de waarde. Affiches oprollen schijnt niet goed te zijn, je zou ze beter in hun plooivorm laten. Maar die naden scheuren zo gemakkelijk… Wat moet je dan geloven? Ik zeg altijd: je kunt als circuscollectioneur niet veel fout doen, dat je collectioneert is al conserveren op zich.”
Op de overloop staan vitrinekastjes vol parafernalia en miniatuurwagentjes. “Een Duits merk maakt deze circuswagens in modelbouw. Ik pas ze aan naar Vlaamse circussen aan de hand van bestaande foto’s. Ik ben een enorm zenuwachtige mens en als ik dat doe, word ik rustig. Dat werkt voor mij therapeutisch.” Een goede vriend van hem, Stefan Agnessen, zelf erg verbonden met circus, maakt dan weer tenten in modelbouw.
In het midden van de circuskamer staat als kroonjuweel de tentmaquette van Circus Strassburger, een Nederlands Joods paardencircus dat ook veel in België reisde. Je voelt het circus bijna tot leven komen met de minuscule poppetjes die in een rij wachten om de tent binnen te gaan. De kamer is één groot papieren archief: meer dan 8000 affiches (op één staat de vergeten discipline van het ‘tonnenspringen’ waarbij met onzichtbare veren van de ene naar de andere ton werd gesprongen), tijdschriften (uiteraard ook Circusmagazine!), krantenartikelen per gezelschap (een artikel uit 1983 bloklettert: ‘Interview met Johnny Ronaldo, een van de tenoren voor de actiegroep SOS circus ter bescherming van de Vlaamse circussen’), contracten van impresario’s (de impresario Julien Stonley boekte ook circusnummers in de cinema’s: tot in de jaren 1950 was het de gewoonte om voor de film een circusnummertje op te voeren – als dat geen traditie is om terug op te nemen?).
Al dat papier weegt tonnen. We hebben ons huis moeten aanpassen en in deze kamer een betonnen vloer van 8 cm laten leggen. De architect zei: ‘Jan, als we dat niet doen, stort de vloer in en ligt je collectie binnen de kortste keren een verdieping lager in de living en dat zag mijn man natuurlijk niet zitten.”
Trots toont Inghelbrecht het trouwcadeau dat ze kregen van jongleur Freddy Kenton: een album met originele foto’s van de grootste jongleurs van voor de Tweede Wereldoorlog: Rastelli, Truzzi, Paolo Bedini. “Foto’s nemen van jongleurs in actie was heel moeilijk, dus zijn ze vaak getrukeerd: kegels werden bijgetekend of ze hingen ze aan draadjes op. Photoshop avant la lettre. Freddy was ook onze getuige op ons huwelijk. Hij inviteert ons ieder jaar voor het Wintercircus in Carré in Amsterdam. Vroeger verzamelde ik al die programmaboekjes – dat waren echte kunstwerkjes – maar tegenwoordig is dat allemaal digitaal. Voor een collectioneur is dat een drama: moet ik dan beginnen QR-codes sparen?”
In een vitrine liggen ook een concertina (muziekinstrument) van clown Grock, geschonken aan de Spaanse clowns Barraceta, inclusief begeleidende brief. Zelfs de fietspomp waarop ze muziek speelden, heeft Inghelbrecht gespaard. “Ik weet het, velen vinden dat gewoon een fietspomp maar voor mij heeft alles waarde. Want alles heeft een verhaal.”
Op de zolder trekt Koen de kleerkasten open en toont als volleerde stilist de kostuums. Er is het met brokaat bezette pak van jongleur Ugo Garrido die vooral optrad in variétés, in het voorprogramma van Shirley Bassey in de Londense Palladium of met Jacques Brel in de Parijse Olympia.
Maar de topstukken zijn toch wel de kostuums van de witte clowns. Het zijn zware kostuums vol pailletten: van clown Babusio, Baba Fratellini, een kostuum van de kleinzoon van de befaamde Foottit (de tegenspeler van de Afro-Cubaanse clown Chocolat, waarover ook een film werd gemaakt). “In Parijs is er nog altijd een modehuis dat louter spektakelkostuums maakt. Het huis Vicaire – nu Atelier Valentin – werkt onder de vleugels van Moulin Rouge. Er is sprake van een revival van glitter en pailletten in het circus. De concurrentie van de namaak van Azië is stevig, maar je ziet natuurlijk het verschil en kwaliteit bij een Vicaire: pailletten worden één per één opgenaaid. Ze zijn zes maanden bezig aan zo’n kostuum, dat gemiddeld 18.000 euro kost.” Hoeveel de ganse collectie van Inghelbrecht waard is, kan hij niet tot op de eurocent zeggen, maar “alles is hier beveiligd en verzekerd.”
Aan de koffietafel worden er nog meer verhalen opgedist. Buiten regent het, binnen is het ons verwarmen aan de gloed van het verleden maar ook aan het vuur van de toekomst. “Het traditioneel circus heeft nog nooit zo goed gedraaid, misschien omdat het verbod op wilde dieren nu algemeen aanvaard is, of is het omdat er in tijden van depressie net een nostalgisch verlangen naar circus is?”
Tegelijk ziet Inghelbrecht met lede ogen hoe het materiële erfgoed verdwijnt. “De traditionele circussen houden de traditie in ere door te spelen maar niet door het materiële erfgoed te bewaren. Er is vaak geen tijd of plek, ze zijn voortdurend aan het rondreizen. Veel zaken belanden daardoor in containerparken of – indien financieel interessant – bij rijke Amerikaanse collectioneurs zoals in de kunstwereld. Vlaanderen ligt niet echt wakker van ons circuserfgoed. Als ik hier mensen vertel dat ik circus verzamel, kijken ze alsof ik uit een instelling ben ontsnapt. Als je dat in Frankrijk of Zwitserland zegt, word je wel serieus genomen. Er is een circusmuseum in Wenen, bij Nice is er het prachtig privémuseum van Alain Frère, Catalonië herbergt hun circuserfgoed in een tot museum omgebouwd oud klooster in Belsalu. Het Huis van Alijn in Gent bewaart circuserfgoed binnen de scope van ‘museum van de cultuur van alledag’ maar is daarin beperkt.”
In Vlaanderen zijn er drie collectioneurs: naast Inghelbrecht is er André De Poorter die vooral focust op de Vlaamse circussen, en Gwendolien Sabbe (programmator en redactielid van Circusmagazine) die onderzoek voert naar de Belgische artiesten die naar Amerika getrokken zijn. “Verzamelaars zijn sowieso een uitstervend ras. Voor jongere mensen is het voldoende dat ze iets digitaal hebben. Toch voel ik wel een herwaardering, meer interesse voor het verleden. Soms komen artiesten langs die bezig zijn rond een bepaalde historische figuur of familielid of discipline. Zoals Bram De Laere of Katleen Ravoet onlangs, of Aline Breucker die over en met kostuums werkt. Ik wil zoveel mogelijk mijn kennis doorgeven. Toch al ruim 50 jaar observeer ik het circus… ik schrijf misschien geen boeken en sta zelf niet in de piste, maar ik babbel graag en veel,” lacht Inghelbrecht. “Mijn collectie is te bezoeken voor al wie geïnteresseerd is. Ik moet alleen nog een ontvangstbalie installeren dan, hé Koen?”
Wie de collectie van Jan Inghelbreght wil bezoeken kan een mailtje sturen naar. Jan_inghelbrecht@hotmail.com.
Van 20 tot en met 22 februari organiseert Inghelbreght samen met twee Franse vrienden ‘La Bourse du Cirque’ in het Cirque Bormann (15de Arrondissement, Parijs). Toegang is gratis.
In september 2025, tijdens de kleine stooringe, het circusfestival in Roeselare, vond een overleg plaats over het belang van het bewaren van circuserfgoed in Vlaanderen. Al had het bij momenten ook veel weg van een crisisberaad.
Auteur: Liv Laveyne
Foto's: Michiel Devijver
Dit artikel verscheen in Circusmagazine #85 (december 2025)
Circusmagazine is het driemaandelijks tijdschrift voor de circuskunst. Op eigentijdse wijze bericht het over verleden, heden en toekomst van de circuswereld in Vlaanderen and beyond.
Abonneer je hier