Vorig jaar deden Circuscentrum en festival Plein de Cirque een aanzet om de gelijkenissen en verschillen tussen de circussector in Vlaanderen en Nederland te peilen. Op twee specifieke onderwerpen werd nu dieper ingegaan tijdens Plein de Cirque 2025 in Turnhout: de mogelijke samenwerking tot spreiding van (jong) circuswerk en het belang van circuskritiek.
Maakt Vlaams werk even gemakkelijk de oversteek naar Nederland dan in de omgekeerde richting? Artiesten uit Vlaanderen zijn regelmatig te zien op Nederlandse festivals, maar vinden moeilijk de weg naar het gewone zaalcircuit. Alleen is dat geen exclusief Vlaams probleem maar geldt dat voor veel circus in Nederland. Hoewel hedendaags circus vrij vlot de weg vindt naar circusfestivals, is het als discipline nog niet echt ingeburgerd in de seizoensprogrammatie. Zeker in vergelijking met de Vlaamse cultuurhuizen waar circus al sterker ingebed zit.
Vlaams werk is ook erg duur werk klinkt het bij de Noorderburen. Dat argument geldt bij uitbreiding in de bredere podiumkunsten en wordt veroorzaakt door een ander financieringsmodel: terwijl in Vlaanderen cultuurhuizen (voornamelijk stedelijke) subsidies krijgen om creaties te presenteren, krijgen in Nederland de gezelschappen spreidingssubsidies. Dat zou eigenlijk moeten impliceren dat Nederlands werk gemakkelijk een speelplek in Vlaanderen vindt, maar dat gaat niet helemaal op omdat er een grote keuze aan talent en nieuwe producties van eigen bodem is. Ook dat is een wet van vraag en aanbod: een grotere professionalisering van een sector met een kwalitatief aanbod leidt er ook toe dat de plekjes om te kunnen presenteren schaarser worden want het aantal presentatieplekken (en dito budget) neemt niet gelijk toe.
Als er al internationaal werk wordt geprogrammeerd in Vlaanderen, wordt er nog vaak naar de Franse markt gekeken. Een beetje onterecht want Nederland is wel degelijk ook sterk aan het professionaliseren en wint steeds meer aan kwaliteit. Dat is zeker ook te danken aan de twee circushogescholen Fontys (Tilburg) en Codarts (Rotterdam) die zorgen voor een instroom van jong circustalent. Sommige van die internationale studenten trekken terug naar hun thuisland maar een percentage blijft ook plakken en zet samenwerkingen op binnen het netwerk dat ze tijdens hun studies hebben opgebouwd.
De aanwezigheid van talent in Nederland, grotendeels gevoed door de circushogescholen, heeft geleid tot Great Catch, een landelijke tournee voor jong circuswerk. Deze is geïnitieerd door De CircusCoalitie, een landelijk samenwerkingsverband dat vernieuwend circustalent ondersteunt door jonge makers ruimte, coaching en zichtbaarheid te bieden.
De CircusCoalitie bestaat uit verschillende partners: MAAS theater en dans, Rotterdam Circusstad, Korzo, TENT, Festival Circolo, Buro Piket, Circusbende Festival, CC Amstel, Deventer op Stelten, De Schuur en Panama Pictures in samenwerking met de
opleidingen Codarts en Fontys. De coalitie wil zo de toekomst van het circus in Nederland stimuleren en een goed klimaat creëren voor de creatie en presentatie van nieuwe circusvoorstellingen. Bij Great Catch worden om de twee jaar drie jonge artiesten/gezelschappen geselecteerd om te toeren langs verschillende zalen. De selectie gebeurt door de leden van de coalitie, met als belangrijkste criteria: het betreft een blackbox voorstelling in het volwassen (avond)circuit met een haalbare techniciteit én binnen de selectie is er een mix van disciplines.
Hoewel het initiatief goed ondersteund en vernetwerkt is, blijft ‘onbekend is onbemind’ bij het publiek nog altijd de achilleshiel bij een jong werk circuit als Great Catch. In Nederland fluctueert de opkomst sterk – van uitverkocht tot een tiental toeschouwers -
met weliswaar een sterk gemiddelde van circa 120 toeschouwers per voorstelling. Daarnaast is er soms ook ‘negatieve impact’ te meten: binnen het weinige circus dat er in de Nederlandse schouwburgen geprogrammeerd wordt, luidt vaak als argument: “Sorry maar we hebben dit seizoen al een circusvoorstelling in ons programma”. Tegelijk ambieert Great Catch meer te zijn dan enkel een lanceerplatform voor de jonge makers, het wil ook duurzame relaties opbouwen en dat is evenmin evident. Het is iets wat een programmator ooit omschreef als het ‘Kleenexprincipe’: jong talent is even het nieuwtje van de dag, maar wordt eenmaal gepresenteerd ook even gemakkelijk vervangen door nieuw jong werk.
In Vlaanderen was tot voor kort een groot uitgebouwd landelijk jonge makercircuit Eigen Kweek. Aanvankelijk gestart in Vlaams-Brabant, maar uitgebreid naar vier provincies en 56 cultuurcentra kregen zo vier jonge of nieuwe makers (maximum drie jaar afgestudeerd of eerste eigen creatie) een creatiebudget en begeleiding voor jonge aspirant zakelijke leiders.
Gekoppeld aan dit creatiebudget werden er residentieplekken voorzien in de lokale cultuurhuizen met een gegarandeerde speelreeks (van circa 15 plekken) binnen de provincie, enkele speelplekken over de provincie heen en op het festival Theater aan Zee. De selectie gebeurde via open call en richtte zich op de brede podiumkunsten en dus ook circus. De aanmeldingen vanuit circus bleven vrij beperkt wat erop wijst dat er het circusveld en podiumkunstenveld toch nog twee aparte circuits zijn. Bepaalde circusdisciplines zoals luchtacrobatie zijn vaak ook geen optie omdat de zalen daarvoor technisch niet uitgerust zijn.
Helaas ontvangt Eigen Kweek sinds dit jaar geen subsidie meer: het initiatief - dat kon rekenen op veel waardering - werd te groot bevonden om gesubsidieerd te worden via bovenlokale middelen en indienen op Vlaams niveau ligt dan weer moeilijk omdat cultuurcentra een lokale (gemeentelijke en stedelijke) verantwoordelijkheid zijn (en dus niet van Vlaanderen). Zo werd de hete aardappel doorgegeven en valt momenteel een waardevol initiatief tussen twee stoelen.
Het verschil tussen Vlaanderen en Nederland zit niet in de gedeelde dromen en besognes – daar vinden we elkaar ten volle - maar vooral in de manier van aanpak. In 1995 werd door enkele Vlaamse cultuurhuizen Toernee Mondial opgericht met als doel internationale artiesten en gezelschappen een tournee doorheen Vlaanderen aan te bieden. Aanvankelijk gericht op wereldmuziek werd dit circuit in 2010 uitgebreid met circus. Binnen het netwerk wisselen programmatoren niet enkel interessante prospecties uit, ze maken ook prijsafspraken en steken de tour zo duurzaam mogelijk ineen. Een fijne maar niet onbelangrijke aanvulling: ze zorge
n voor een warme ontvangst met lekker eten. Dat laatste klinkt misschien triviaal maar lijkt vaak de reden waarom artiesten en bookers graag ingaan op Toernee Mondial: de liefde gaat ook bij artiesten (en al zeker bij technici) door de maag. De huisbereide kost en warme bediening die ze op die manier krijgen binnen het Vlaamse netwerk staat in contras
t tot de jetons en broodjesautomaten in de meeste Nederlandse schouwburgen.
Waar Nederland dan wel weer sterk in staat is het marketing gericht kijken naar jonge circuscreaties als ‘producten’ die een publiek zoeken. Great Catch hanteert een sterke marketingstrategie met analyses via bevragingen, cijfers en targets. In het vizier: welke publieken willen we (nog) bereiken en hoe doen we aan publieksopbouw? Voor de Vlaamse circussector (en bij uitbreiding de cultuursector in Vlaanderen) is dat een ongewone vraag ‘welk publiek wil je/kun je aantrekken?’ speelt vaak minder of wordt anders benaderd, het sociale aspect weegt zwaarder door dan het puur economische.
Dat verschil is ook logisch omdat creatie en spreiding in Nederland sterk gekoppeld zijn aan de financiering en je dus ook wordt beoordeeld op het halen van je verkoopcijfers per voorstelling. In Nederland ligt de verantwoordelijkheid rond promo en ticketverkoop vooral bij de gezelschappen, in Vlaanderen ligt dat meer bij de ontvangende huizen. In Vlaanderen hanteren de huizen ook een meer ‘holistische’ en tegelijk pragmatische houding: succes wordt er niet afgemeten per productie. Binnen het culturele ecosysteem wordt de juiste verhouding gezocht tussen easy sells (bekender en/of commerciëler werk) en risicovoller jong of onbekend werk. Maar aan beide landsgrenzen telt: aan het einde van de rit moet de rekening kloppen.
Voor beide modellen is er iets voor of tegen te zeggen, het ideaal ligt in de combinatie van het beste van beiden. Er zijn grote verschillen maar ook veel gelijkenissen tussen Vlaanderen en Nederland. Benchmarking en dataverzameling met aanbevelingen zouden interessant kunnen zijn om mee te nemen richting beleid.
Cijfers zijn belangrijk maar mogen niet verlammend werken. Ze dienen om lacunes te zien en bij te schaven. Het is belangrijk om tijd te nemen om initiatieven te verduurzamen en trajecten op te bouwen tussen presenterende huizen en makers. Durf ook te praten met collega’s wanneer het moeilijk loopt, deel je zorgen en elkaars expertise, ga bij elkaar op bezoek en blijf ook eens 24 uur logeren. Beschouw het als een inleefstage waar je van elkaar kunt leren.Taking time is money well spent.
Het meest concrete voorstel op tafel ligt misschien in de combinatie van Great Catch en Eigen Kweek. Verwant in hun kern en streven, ligt er een opportuniteit om samen jong of nieuw Vlaams-Nederlands circustalent te selecteren en te laten toeren. Het in 2017 ter ziele gegane Circuit X (een samenwerking rond jong podiumtalent uit Vlaanderen en Nederland) wordt aangehaald als een voorbeeld dat vijftien jaar later weer zijn bestaansrecht mag claimen.
Het blijft bij Great Catch erg moeilijk om Nederlandse pers te overhalen om aandacht te besteden aan de makers, al zeker bij de reguliere pers. In de Nederlandse media heerst nog vaak een clichébeeld van wat circus is tegenover wat het allemaal kan zijn. Moeten we het label ‘circus’ misschien afschaffen binnen alle cross-overs die er zijn? Of moeten we vooral het woord ‘circus’ in zijn huidige betekenis claimen en circus als circus blijven benoemen om net de diversiteit te benadrukken?
Er zijn nog altijd critici in Nederland die circus of te min vinden of zeggen dat circus buiten hun werkveld valt. Maar evengoed zijn er critici die geen kaas gegeten hebben van circus en er ook de rijkdom niet van zien. Zo is er het voorbeeld van Tall Tales Company. Het Rotterdamse circusgezelschap dat een samenwerking aanging met een muziekgezelschap tijdens het Bachfestival, werd gerecenseerd door een muziekrecensent. De inbreng van de circusartiesten werd nauwelijks aangehaald en gedegradeerd tot ‘circuskunstjes’.
Het Domein voor Kunstkritiek, ontstaan binnen het vroegere Theater Instituut Nederland (TIN), is een kunstenbreed platform rond kritiek en organiseert workshops, debatten en lezingreeksen. In tegenstelling tot Nederlandse sites als Theaterkrant of Circusweb publiceren ze zelf geen recensies. Op initiatief van Circuspunt in samenwerking met TENT, Festival Circolo en Circusstad Festival werd met het Domein voor Kunstkritiek een workshoptraject rond circuskritiek opgezet met als doel meer journalisten te enthousiasmeren voor het schrijven over circus en ze context en voeding geven om dat ook daadwerkelijk te kunnen doen.
Domein voor Kunstkritiek start vanuit de kunst van het schrijven en denkt hier ook meer out of the box.
Zo werd binnen het concept van circus en het belichaamde object de typerende Kempentoren (in Tilburg, waar ook festival Circolo doorgaat) als inspiratiebron gebruikt om vanuit het vertelstandpunt van die toren verslag te doen. Kritiek kan ook anders dan vanuit een ivoren toren gebeuren, zo werd bewezen.
Pzazz zet dan weer in op een klassieke recensiewebsite waarop bijna dagelijks een nieuwe recensie wordt gepubliceerd over het brede podiumkunstenveld. Het vaste schrijverscollectief bevat 15 critici, een mix van ervaren en nieuwe pennen. Daarnaast zet Pzazz ook verdiepende trajecten op voor enkele specifieke disciplines die meer context vragen zoals opera en circus, en bredere trajecten die gericht zijn op het inclusiever en diverser maken van het recensentenveld.
Aan het traject dat Pzazz en Circuscentrum opzetten in 2024 rond circuskritiek namen 7 kandidaten deel: een mix van geoefende en beginnende schrijvers waaronder mensen uit de circussector (artiesten, atelier). Zo werden diverse expertises én blikken bij elkaar gebracht. Sowieso dwingt recenseren je om anders te kijken, een actief kijken-denken, zo omschreef een van de deelnemers het.
De artiesten gaven aan hoe zelf leren kijken en schrijven over circus ook nieuwe inzichten geeft om zelf kritisch naar hun praktijk te kijken en onder woorden te leren brengen. Het is kennis die - is het niet in recensies- ook waardevol kan zijn om te benutten in het schrijven van subsidiedossiers en communicatieteksten. Het traject kende een positieve uitkomst: enkele deelnemers engageerden zich ondertussen als recensent bij Pzazz of auteur bij Circusmagazine.
In het gesprek rond het verschil in benadering van circuskritiek in Nederland en Vlaanderen, bleek bij Domein voor Kunstkritiek meer de skill van het schrijven centraal te staan, bij het traject met Pzazz en Circuscentrum werd dan weer meer aandacht besteed aan de analyse van circus als kunstvorm. Het Domein voor Kunstkritiek wil met zijn werking tegenwicht bieden aan de recensie als consumptiemiddel, terwijl de nadruk in het Vlaamse traject lag op het onderzoeken van de uniciteit van de circuskunsten binnen het brede kunstenveld.
Hoewel het belang van gefundeerde circuskritiek – met kennis voor de specificiteit – belangrijk is voor de emancipatie van circus als kunstvorm, wordt ook benadrukt dat net kijken vanuit een andere blik (theater, dans, muziek) erg verrijkend kan zijn. Net zoals bij elke vorm van kritiek – maar misschien nog meer bij circus – is het belangrijk om een open blik en een blijvende verwondering te houden (
ook al is een colonne à trois misschien na 10 keer te hebben gezien minder impressionant).
Als het gaat om concrete voorstellen rond een Vlaams-Nederlandse samenwerking rond circuskritiek kan de opmaak van een kijkwijzer/schrijfwijzer met een gedeeld circuslexicon een goede handleiding zijn. Maar ook een Vlaams-Nederlandse podcast tussen critici en makers, in de beste traditie van de 19de eeuwse salons, waarbij zowel dieper kan worden ingegaan op één voorstelling maar evengoed over bredere thema’s, wordt als een interessante piste gezien.
Want natuurlijk zijn positieve recensies fijn en kunnen ook goed beargumenteerde negatieve recensies inzichten verschaffen, nog fijner is een dialoog die nieuwe denkkaders aanreikt. Veel makers geven aan dat het momentum van een première als dwingend wordt ervaren. Een voorstelling, zeker in circus, moet de kans krijgen om te groeien. Misschien kunnen we beter premières afschaffen – oppert een artiest stoutmoedig - of althans makers zelf laten beslissen wanneer de tijd rijp is voor een recensie? Als circus process art is, dan is ook circuskritiek een voortdurend proces van (weliswaar subjectieve) geschiedschrijving van het moment.
Op 13 september 2025 organiseerde Circuscentrum tijdens Plein de Cirque festival (Turnhout) een tweede ontmoetingsmoment tussen de Vlaamse en Nederlandse circussector. Maar liefst 45 organisatoren, artiesten en andere stakeholders namen deel aan het debat. Sprekers waren: Rosa Boon (TENT, Circuspunt) en Marieke van Oosten voor Great Catch, Lies Coppens (CC De Factorij) voor Toernee Mondial, Pascal Lervant (De Grote Post) voor Eigen Kweek, Dirk Verhoeven & Josje Kerkhoven (Domein voor Kunstkritiek) en Liv Laveyne (Circuscentrum, Pzazz) en Tom Permentier (Pzazz)
Circusmagazine is het driemaandelijks tijdschrift voor de circuskunst. Op eigentijdse wijze bericht het over verleden, heden en toekomst van de circuswereld in Vlaanderen and beyond.
Abonneer je hier