Organisator Jan Victoor en zijn Gevleugelde Stad

Hoe geraakt een straatartiest aan optredens? In Ieper wordt het antwoord op die vraag al 22 jaar gegeven in een weekend in april, wanneer de gebruikelijke lading oorlogstoeristen wordt overspoeld door circusartiesten, muzikanten, dansers, acteurs en andere vredestichters uit heel de wereld. Ook programmatoren van binnen- en buitenlandse festivals komen actief snuffelen naar het beste van het beste. Op de vakbeurs, waar alle deelnemers van het festival een standje hebben, leggen ze de nodige contacten en dienen nieuwe speelkansen zich aan.

© Manon Verplancke

Cultuur indexeert nooit. Hotelkamers en stokbroden wel.

De Gevleugelde Stad is inderdaad een begrip binnen de Vlaamse circuswereld. In de prehistorie, we spreken nu 2003, droeg Antwerpen nog de titel. Initiatiefnemers Frank Poelvoorde en Kurt Demey mochten na één editie al op zoek naar een nieuwe uitvalsbasis. Jan Victoor, toen nog directeur van cultuurcentrum Het Perron in Ieper, was de juiste man op de juiste plaats toen de vraag kwam. De rest is geschiedenis. Ook na zijn pensioen bleef Jan de trekker van het promofestival, en dat tot op vandaag, maar hoelang mag dat nog duren? Tijd voor een interview.

Hoeveel tijd kruipt er in de organisatie van De Gevleugelde Stad?

Jan Victoor: “Dat is voor mij bijna een fulltime job. Behalve het contact met de artiesten, gaat er veel tijd naar het proberen bereiken van organisatoren, het aansturen van de vrijwilligers en het regelen van de overnachtingen, zowel in hotels als bij gastgezinnen.”

Het festival is bekend bij circusartiesten, maar mikt ook op andere straatkunsten. Hoe lukt het met de verdeling tussen circus, muziek, theater en dans?

“Nadat het adviescomité de kandidaturen heeft gequoteerd, kan het programma nog bijgestuurd worden zodat een mix van genres gegarandeerd is. Bijna elk jaar hebben we poppentheater in het programma, en verder ook muziek, dans, installaties, vuur en licht. Natuurlijk overheerst circus bij de inzendingen. We maken daarbinnen extra keuzes die zorgen voor diversiteit: niet alleen circus in de lucht bijvoorbeeld. Verder zorgen we ervoor dat er elk jaar voldoende Belgische groepen in het programma staan en dat er jong talent aan bod komt.”

Worden er ook voorstellingen geprogrammeerd waar je zelf niet naar kan kijken?

“Het circuslandschap heeft in mijn ogen een enorme vooruitgang meegemaakt, maar behalve het artistieke circus is er ook nog een grote scene van wat je oneerbiedig ‘entertainment’ zou kunnen noemen, met straatartiesten die nummertjes opvoeren, die meestal leiden naar een ‘grande finale’ met een eenwieler en brandende toortsen. Daar is op zich niets mis mee – wij zorgen er altijd voor dat ook die artiesten een plekje krijgen op ons festival – maar er zit zo weinig evolutie in. Ik hoop dat dat ooit verandert. Waar ik nog het meeste op afhaak, zijn straatentertainers die vrijwilligers uit het publiek halen om ze dan belachelijk te maken, door ze bijvoorbeeld in een tutu te steken.”

Het valt me op dat je theater niet vermeldde in je lijstje.

“Theater blijft een moeilijke zaak: er zijn heel weinig inschrijvingen. Theatermakers zullen sneller de technische beperkingen van de straat voelen. Ze zijn bijvoorbeeld gewend om met spots te werken in een verduisterde zaal, of met grote decorstukken, wat voor ons minder vanzelfsprekend is. Bovendien is het voor theateracteurs, die vaak nog in dienstverband werken, niet evident om verlof te nemen en gratis te komen spelen. Als het ons lukt om toch een toneelgezelschap te programmeren, zoals vorig jaar nog Poolse KTO Theater, is dat des te meer een zegen.”

Niet dat circusartiesten graag onbetaald optreden, maar het lijkt erop dat ze dat offer gemakkelijker maken.

“Daaraan merk je nog dat het circus van de straat komt. Circusartiesten hebben nog iets van bohémiens, die doen wat ze willen doen. Jonge afgestudeerde circusartiesten die een groep oprichten met twaalf man, die denken niet na over hoe ze dat verkocht krijgen. Ze doen het omdat ze het willen. Dat hoort bij het jong zijn. Ik houd erg veel van de open mentaliteit van circusartiesten. Ze gaan kijken naar elkaars werk en helpen elkaar. Vroeger organiseerde ik een muziekfestival voor het cultuurcentrum. Veel van die muzikanten spraken geen woord met onze techniekers, en ik herinner me een voorval met een drummer die zijn stokken was vergeten. De drummer van de andere band weigerde de zijne uit te lenen. Zoiets zou in het circus onvoorstelbaar zijn!”

Dat de artiesten niet vergoed worden, is dat een noodzaak of een filosofie?

(denkt lang na) “Het is geen filosofie. Het is een kwestie van leren overleven. Als wij beginnen te vergoeden, is het gedaan. Of we zouden veel minder groepen moeten selecteren, maar dan is het voor publiek en boekers niet meer de moeite om naar Ieper te komen. Zelf word ik trouwens ook niet betaald.”

Maar er zijn toch subsidies voor de hotelkosten en dergelijke?

“Niet van Vlaanderen. We hebben ooit een dossier ingediend, maar we wisten op voorhand dat het niks zou worden. Vroeger werden alle kosten gedragen door het cultuurcentrum. Met wat herschikking in de programmatie kwam er budget vrij voor de Gevleugelde Stad. Maar cultuur indexeert nooit. Hotelkamers en stokbroden doen dat wel. De stad springt tegenwoordig wat bij om dat te compenseren, maar wij blijven de oefening maken om overbodige kosten te schrappen. De fotografiewedstrijd is daar een voorbeeld van. Bezoekers van het festival kunnen een tiental foto’s per persoon indienen, waarvan een selectie een maand voor het volgende festival wordt tentoongesteld. Een van die foto’s belandt ook op de affiche van de nieuwe editie.”

Maar de huur van tenten is een blijver bij de uitgaven…

“…met het risico dat ze niet worden gebruikt. Elk jaar opnieuw is dat een discussie in de voorbereiding, maar ik heb altijd gezegd: het is met tenten of zonder mij. Het is onze verantwoordelijkheid dat de artiesten ook bij regenweer hun voorstelling kunnen brengen. Sommige van hen zijn dagen onderweg om hier te geraken. We kunnen niet maken om dan te zeggen ‘sorry, het regent, je hoeft niet uit te pakken.’ Dus huren we elk jaar enkele circustenten, en we kunnen ook uitwijken naar het cultuurcentrum, het jeugdcentrum, het theatergebouw en het oud vleeshuis in het centrum, verschillende scholen en vanaf volgende editie misschien kerken.”

Heeft het weer je al bedot? Dat het onverwacht toch zonnig is of dat er onaangekondigde regen valt?

“Ik herinner me een keer dat er een lichte kans op een bui was voorspeld, niet voldoende om naar het binnenscenario over te schakelen. Alles was opgesteld voor buiten, en eens het festival vijf minuten bezig was, begon het te regenen om niet meer te stoppen. Om praktische redenen konden we pas tegen de avond verhuizen naar de overdekte locaties, maar dat proberen we zoveel als mogelijk te vermijden. Straatvoorstellingen die binnen spelen, worden door publiek en organisatoren toch anders beoordeeld, meestal niet in het voordeel van de artiesten. Tegenwoordig kunnen we ook een tussenoplossing aanbieden: dan kiezen we voor het binnenprogramma maar wie kan en wil mag buiten spelen. Dat kan alleen omdat onze techniekers sinds enkele jaren worden bijgestaan door de leerlingen podiumtechnieken van het VTI Brugge, die assisteren als deel van hun opleiding.”

Moet je als organisator nog veel improviseren tijdens het festival?

“Improviseren doen we niet meer. Alle scenario’s zijn uitgeschreven, ook voor het publiek. Jaren geleden heb ik me daar nog aan bezondigd, en dat was een heel domme beslissing. De puzzel zit zo in elkaar dat het geen lastminute aanpassingen verdraagt. Ik heb toen een groep uit de nood geholpen, maar daarmee andere groepen in de problemen gebracht.”

Contacten en contracten

Hoeveel programmatoren krijgt Ieper over de vloer tijdens Gevleugelde Stad?

“Doorgaans zijn dat om en bij de 450 mensen, die samen zo’n 150 evenementen vertegenwoordigen. Dat zijn hoofdzakelijk Belgen, maar ook Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn sterk vertegenwoordigd. Daarnaast zijn er vaak kleine delegaties uit Spanje, Italië, Denemarken, Polen en Litouwen. Frankrijk loopt wat achter op de zaken, maar het is voor artiesten buiten Frankrijk zo moeilijk om daar binnen te geraken, dat het ook voor Franse programmatoren niet interessant is om naar Ieper af te zakken.”

Heb je zicht op wat deelname aan het festival opbrengt voor artiesten?

“Dat is niet altijd duidelijk. Fabien Audooren (ex-artistiek leider van Miramiro, red.) had me eens gezegd dat ik dat moest bevragen, maar ik denk dat die artiesten al genoeg enquêtes op hun bord krijgen. Wel stuur ik alle deelnemers van het festival een bedankje achteraf, en soms krijg ik een reactie terug met de melding dat er al boekingen hebben plaatsgevonden. Er zijn ook groepen die telkens met een nieuwe productie willen terugkomen naar De Gevleugelde Stad. Die zouden dat ook niet doen als het niets zou opleveren.”

Hoeveel groepen moeten er zo geweigerd worden per editie?

“Dit jaar hebben we ongeveer 320 inschrijvingen. Daarvan zijn er zo’n 85 geselecteerd, waarvan we weten dat er nog een tiental zullen van wegvallen. Dat heeft in een enkel geval te maken met een betalend optreden dat in de plaats komt, maar vooral met opgelopen blessures in de voorbereiding, hoofdzakelijk van acrobaten die tijdens de winter minder actief waren.”

Valt het mee om de selectie te maken?

“Kurt Demey had een slim puntensysteem gelanceerd waarmee je die driehonderd of meer kandidaturen kan bespreken op een paar uur tijd. Ieder lid van het adviescomité quoteert met een vier, zeven, negen of tien. De dossiers die overwegend een tien scoren, daar wordt niet aan getwijfeld, en ook de voorstellingen die een negen scoren worden volmondig aangenomen. Zeven betekent ‘mag, maar moet niet’, en vier ‘nee’. Zo vermijd je discussies over groepen die bijvoorbeeld een 7,8 en een 7,9 scoren en blijf je het overzicht behouden.”

Wie zit er zoal in die beoordelingscommissie?

“Dat zijn mensen die zelf festivals organiseren die ver genoeg van Ieper verwijderd liggen, zodat ze met een open geest kunnen denken in functie van De Gevleugelde Stad. Ik ga geen namen noemen, maar één keer heeft iemand de selectie voor ons festival gemaakt in functie van zijn eigen festival. Dan gaf hij een vier aan de groepen waarvan hij hoopte dat ze hun première op zijn festival zouden brengen. We hebben ook eens een artiest in het adviescomité gehad, maar dat werkte voor ons ook niet, omdat die te dicht bij de praktijk aanleunt. Je riskeert dan ook dat er verborgen agenda’s meespelen.”

Hoe lang gaat Jan Victoor De Gevleugelde Stad nog leiden?

“Normaal gezien is dit mijn laatste jaar. Ik moet realistisch zijn: ik word 74, ik moet naar mijn lichaam luisteren. Dat wil trouwens niet zeggen dat ik niet meer wil meewerken aan volgende edities, en al zeker niet dat ik het werk beu ben. Maar het vraagt veel van me. Door weekend- en avondwerk verlies je veel vrienden en kennissen, en in het professionele veld denk je veel contacten te hebben, maar dat zijn geen vriendschappen, dat zijn relaties. Dat valt weg zodra je er zelf mee ophoudt. Waar mensen van boekingskantoren je op recepties altijd als eerste aanspreken, zeggen ze dan ‘ik kom terug, maar ik moet eerst naar…’ en dan zie je ze voor de rest van de avond helemaal niet meer. Ik heb daar geen moeite mee. Het is wat het is.”

Staat de opvolging klaar?

“Op dit moment vrees ik van niet.”

Oproep gelanceerd.

11 tot 13 april, Ieper

www.gevleugeldestad.com

Auteur: Tom Permentier
Foto’s: Manon Verplancke
Dit artikel verscheen in Circusmagazine #82 (maart 2025)