De kwetsbare held

Al meer dan een kwarteeuw zorgt jongleur Sander De Cuyper voor blije gezichten op straten en pleinen over heel Europa. In collectieven als Cirq’ulation Locale, ShakeThat, Cie Pol & Freddy en Cie Ea Eo was hij steeds de underdog die het publiek moeiteloos aan zijn kant kreeg. Nu heeft hij met Panic Ludic zijn allereerste solo afgeleverd. “Ik heb gestrest als een beginner.”

© Kevin Faingnaert
© Kevin Faingnaert

Ik ontmoet Sander bij hem thuis in de Brugse Poort in Gent. Op een boogscheut hiervandaan wonen Thomas Decaesstecker (Be Flat), Liv Laveyne (Circuscentrum) en de betreurde Karel Creemers (Circus Ronaldo); een mooie doorsnede van het Vlaamse circus in één oude volkswijk. We praten over verbouwingswerken (“Mijn dak moet dringend aangepakt worden.”) en wandelen naar de nachtwinkel om drank in te slaan. Terug thuis is vrouw Elga Pollet al met zoon Titus naar bed. Aan de picknicktafel in het knusse stadstuintje geeft De Cuyper een eerlijke inkijk in het leven van een circusartiest in de herfst van zijn carrière.

In welke fase zit je momenteel?

Sander De Cuyper “Ik heb vorig weekend de première gespeeld op het straattheaterfestival van Huy. Er waren massa’s programmatoren aanwezig. ’t Was tof. De week ervoor waren het de avant-premières op De Gevleugelde Stad in Ieper.

Kortom: de voorstelling is quasi af. Ik had gedacht: ‘Oké, het is première, maar daarna kan ik hier en daar nog wel wat aanpassingen doen.’ Maar ik voel dat ik geen zin meer heb om opnieuw in het repetitiekot te kruipen. Dus het is wat het is. Ik zit nu aan 38 minuten, terwijl het er eigenlijk 45 moeten zijn – dat staat in de technische fiche. Dus ofwel pas ik die fiche aan, ofwel voeg ik nog een scène toe.” (lacht)

Liever kort en krachtig dan net te langdradig, nee?

“Zeker. Maar een extra scène is misschien wel nodig. Nu eindigt het nogal onverwachts. Je ziet het publiek twijfelen… Ik zal in de komende periode al spelende nog wat moeten vinden. Sowieso is er van alles aan het veranderen sinds ik er echt mee optreed. Ik denk wel dat ik er ongeveer ben.”

Hoe zit het met de stress?

“Die is eindelijk weg. Ik heb gestrest als een beginner. Wakker liggen, over scènes nadenken, twijfelen. Ik ben fysiek ziek geweest, buikpijn een uur voor een optreden. Zaken waar ik anders nooit last van had. Het was echt fucking spannend, de hele creatie. Ik ben er uiteindelijk twee jaar mee bezig geweest, het was niet gemakkelijk. Ik speel en creëer al 25 jaar, maar ik heb na al die tijd nog altijd niet het recept gevonden hoe je voorstellingen moet maken. Ik vergeet altijd hoe moeilijk dat eigenlijk is. En hoeveel ik op mijn intuïtie terugval in plaats van op methodieken. Ik probeer veel losse flarden en plaats die dan in een bepaalde volgorde. Kortom, het betere knip- en plakwerk.” (lacht)

Je hebt ook altijd in een collectief gewerkt.

“Ik heb nu ook niet echt het gevoel dat ik de voorstelling helemaal alleen gemaakt heb: ik heb enorm veel gehad aan Bram Dobbelaere als coach, Griet Herssens als costumière en Lars Senders als componist. Maar inderdaad, het concept is van mij, ik heb de beslissingen genomen. Bij vorige producties was het altijd in overleg, samen brainstormen over wat het zou kunnen worden. Nu stond ik daar grotendeels alleen voor. Het is ook echt wel mijn voorstelling geworden. Ik heb geen compromissen moeten maken. Dat is wel een verademing, moet ik zeggen. Ik heb in mijn carrière al veel moeten luisteren naar andere meningen. Sterke meningen, luide meningen…”

© Kevin Faingnaert
© Kevin Faingnaert

Om over Bram Dobbelaere maar te zwijgen.

(lacht) “Inderdaad. Die komt ook altijd voorbereid naar een repetitie. Als hij een idee dropt, heeft hij er al over nagedacht, opzoekingswerk gedaan, … Dan moet je al heel sterk in je schoenen staan om daar tegenin te gaan. Nu, je leert daarmee omgaan: zelf ook beter voorbereid naar repetities trekken, ideeën vooraf al eens bespreken met een collega, zodat die je kan steunen als de beslissingen worden genomen. Maar toch, het was echt tijd om een solo te maken. Ik had niet de energie om nog een keer een collectief beslissingsproces te doorstaan. Er zijn fijne en leerrijke momenten, maar het is steeds een struggle.”

Maar alleen was het dus ook geen sinecure?

“Het was absoluut een reality check. Alles moet van jezelf komen. Als het even op zijn gat valt, begin je aan jezelf te twijfelen. ‘Wat heb ik eigenlijk nog te vertellen als artiest?’ Ik heb het een paar keer meegemaakt: naar de repetitiezaal in Clinge rijden, een ideetje testen dat niet direct werkt en hup, terug naar huis. Geen motivatie meer. Als je dan met collega’s bent, kan je elkaar oppeppen, heb je veel meer discipline. Ik ben mezelf meermaals tegengekomen. Ik ben ongedisciplineerd, megachaotisch en lijd aan uitstelgedrag. Vreselijk. De scènes die ik tof vind om te repeteren, kan ik al heel lang, die oefen ik graag en veel. De scènes waarvan ik weet dat ze goed kunnen zijn, maar die lastig zijn om in de vingers te krijgen, daar ben ik nog altijd mee aan het worstelen, die heb ik nog te weinig ingeoefend.”

Je gebruikt deze keer geen klassieke jongleerobjecten zoals kegels of ballen.

“Ik heb massa’s ervaring met jongleerobjecten, ik kan vissen uit veel materiaal, dat is heel comfortabel. Maar ik heb mezelf verplicht om niet met jongleermateriaal te werken. Ik heb veel nieuwe skills moeten aanleren – en dat gaat veel trager dan toen ik jong was. Voor een aantal zaken ben ik van nul moeten beginnen.”

Zoals?

“Een jongleernummer met opwindkuikentjes. Het ziet er belachelijk simpel uit, maar ik heb er zwaar op moeten werken om het een beetje in de vingers te krijgen. Ook onwaarschijnlijk moeilijk: éénhandig een telegeleide auto besturen. Ik ben ervan overtuigd dat niet veel mensen dit zouden kunnen, zelfs na lang oefenen. Enkel jongleurs. En misschien een echte marionettist. Het is het moeilijkste dat ik ooit op scène heb gedaan.”

En is het een goeie scène?

“Het gaat goed wórden. (lacht) Op de première ging het wat de mist in, maar de dag erna ging het perfect. Ook dat moet ik opwarmen. Net zoals je een jongleerroutine moet opwarmen, moet ik maken dat ik de dag van de voorstelling een uurtje met het autootje heb gereden. Maar in heel de opbouw – ook dat is een zoektocht om niet langer collectief te doen – is er voorlopig geen uur vrij.”

Waarover gaat de voorstelling eigenlijk?

“In mijn dankwoord op het einde van de voorstelling zit een quote van Lucebert: ‘Alles van waarde is weerloos.’ Ik denk dat het in de kern daarover gaat. Kleine, mooie dingen die je gemakkelijk over het hoofd ziet of die je gemakkelijk kapot kan maken, zijn soms het enige die er echt toe doen. Meer concreet gaat het over een kerel – ik noem hem een kwetsbare held – in een post-apocalyptische wereld. Alles is naar de kloten. In betere tijden heeft hij opgespaard wat hij mooi vond, in blikken gestoken en diep onder de grond begraven zodat hij het kan bovenhalen als de wereld vergaat. Nu is het zover. Hij laat alles nog één keer shinen en biedt zo een flits van hoop aan de weinige overlevenden.”

Wat waren je inspiratiebronnen?

“Ik ben erg geïnspireerd door de preppers community: veelal van die Amerikaanse rednecks die zich voorbereiden op het einde van de wereld. Ze bouwen ondergrondse bunkers, verzamelen wapens, zijn meesters in camouflage en slaan massa’s voeding in, zodat zij en hun naasten kunnen overleven als alles in brand staat. Ik vind dat een fascinerende wereld. Het was de max om dat te onderzoeken en er een artistieke draai aan te geven.

Ook de hengelsport was een inspiratiebron. Ik ben zelf een gepassioneerd sportvisser. In de hengelsport spelen ze met camouflage en imitatie – bepaalde vliegjes tot in de puntjes namaken – maar wat ook werkt is juist het tegenovergestelde: fluokleuren en vreemde vormen, daar komen vissen ook op af. Binnenkort is het de vliegvisconventie in Mechelen, ik ga ernaar toe. Eigenlijk zouden zij mijn show moeten boeken – er zit een toffe vliegvisscène in de voorstelling. Want er bestaat dus ook zoiets als artistiek vliegvissen; wedstrijden waarbij je geen vissen vangt, maar de sierlijkste lussen tracht te maken. Ja, er zijn overal geeks. (lacht)

Verder zit er een knipoog – noem het gerust een hommage – naar circus met dieren in. Ik gebruik elementen uit de dressuur; op een minipiste breng ik verschillende dressuuracts met ‘dieren’. De manipulatie ervan, en er proberen leven in te krijgen, is dan weer geïnspireerd door het poppentheater. Ik vind het fantastisch hoe een marionettist zijn pop tot leven brengt. Ook al zie je als toeschouwer de manipulaties en de draadjes, je gelóóft dat die pop leeft. Je verkiest verbeelding boven realiteit.

Ik ben als jongleur al heel mijn carrière met objecten bezig; je probeert daar leven in te krijgen. Maar nu was het toch een andere benadering. Er is een groot verschil tussen een plastic zakje of een jongleerkegel leven proberen te geven. Het was de max om dat te onderzoeken. Ik denk wel dat ik de link heb gevonden tussen poppenspel, objectentheater en jongleren. Ik zit daar ergens tussenin.”

Miste je de klassieke jongleerobjecten niet?

“Absoluut. Het is een houvast. Als je het eventjes niet meer weet in de repetitiezaal, hup, je pakt je kegels en je doet die truc die je al tien jaar traint. Nu had ik dat niet, en dat was wel stevig. Ik heb gezocht om er toch jongleerkegels aan toe te voegen, passend in het verhaal. Ik heb oogjes getekend op een kegel, er een klein pruikje op gezet… Gast, zo slecht! Nee, het is niet gelukt om ze erin te krijgen. Maar ik zoek nog zeven minuten, hè, het kan nog altijd.” (lacht)

Speel je een typetje op scène?

“Niet echt. Het personage ligt dicht bij mezelf. Ik speel eigenlijk een softe versie van mezelf. Er is geen plaats voor cynisme en hardheid. Nu ik eraan denk: het is de eerste keer in mijn carrière dat ik een softie speel.”

© Kevin Faingnaert
© Kevin Faingnaert

Ik volg jou al sinds begin jaren 2000 en ik moet zeggen: ik heb jou nooit hard of cynisch gevonden. Integendeel, jij was altijd de underdog en daarom ook de publiekslieveling.

“Ja, het waren vaak hardere, humoristische voorstellingen waarin ik net tegenwicht bood voor het cynisme. Maar ik had genoeg van het schreeuwerige van onze vorige voorstellingen. Het stonk soms naar aanstellerij. Onze shows waren zodanig strak geschreven – met een keigoeie timing en joke na joke na joke – dat het publiek geen andere keuze had dan lachen, gieren, brullen. Nu is er tijd voor twijfel, zowel op scène als bij het publiek. Dat is natuurlijk deels omdat de voorstelling nog niet helemaal gerodeerd is, maar toch, het hoort ook echt bij het concept. En dat omarm ik. Ik vind het fijn dat het ritme niet keihard rechtdoor gaat, met maar één mogelijke interpretatie. Er is plaats voor traagheid, zachtheid en emotie. Op het einde van de voorstelling, wanneer het opgenomen dankwoord afspeelt, krijg ik het zelf lastig. Het is zo een mooie tekst, het doet me iets.”

Zelf geschreven?

“Nee, door Dobbelaere natuurlijk. (lacht) Mijn tekstje was lang zo goed niet.”

Wat is je doel met deze voorstelling? Wat mag ik je toewensen?

“Ik ben erg hard verwend de laatste jaren qua tournees, maar het was ook pittig. Voorlopig voel ik geen drang om gigantisch ver te reizen voor een paar optredens. Vroeger kickte ik erop: de ene dag in Italië spelen, twee dagen later in Polen, de hele nacht rijden. Nu zie ik dat niet meer zitten. Ik ben erg blij dat ik overmorgen op Uitwijken in Brugge mag spelen.

Maar ik zou toch graag een vijftal jaar met Panic Ludic kunnen toeren. Ik zou het vreselijk vinden mocht ik twee goeie zomers hebben en dat het dan afgelopen is. Dat zou ik de effort niet waard vinden. Ik heb twee jaar van mijn leven gegeven om het te maken; dan wil ik ermee toeren tot ik het beu ben, en niet tot ik niet meer geboekt word. Dat zou echt zeer doen. Ik zou ook heel graag met het gezin toeren als de tijd er rijp voor is. Elga of zelfs Titus die de techniek doet. Geen geld moeten delen, alles voor ons! En dan eindelijk een nieuw dak voor ons huis.” (lacht)

14 juni en 23 augustus: Remorc, Roeselare

17-21 juli: Miramiro, Gent

24-26 juli: Cirque Plus, Brugge

6-10 augustus: Theater op de Markt, Hasselt

15-16 augustus: Chassepierre

Alle speeldata: www.panicludic.be

Auteur: Maarten Verhelst
Foto’s: Kevin Faingnaert
Dit artikel verscheen in Circusmagazine #86 (mei 2026)