Geschiedenis
Duizenden jaren geleden voerden Chinezen, Egyptenaren en de Oude Romeinen al ongewone kunstjes op voor anderen. Ze trokken op markten de aandacht van voorbijgangers en kregen een beloning in geld of natura. De benaming ‘circus’ stamt uit het Grieks (‘kirkos’) en werd overgenomen door de Romeinen (‘circus’). Het staat voor cirkel of ook wel renbaan. In Rome heb je nog steeds de Circus Maximus, de grootste renbaan voor wagenrennen, met aan weerszijden van de baan tribunes voor de toeschouwers. In het Griekse Olympische Stadium vermaakten, tussen de krachtmetingen van de atleten door, jongleurs en acrobaten het publiek en van de middeleeuwen tot de zeventiende eeuw trokken acrobaten, koorddansers, marionettenspelers, mimespelers, dwergen en reuzen rond op straat of van hofhouding tot hofhouding.
Het circus zoals we dat nu kennen ontstond in Engeland als een opvoering in de paardrijkunst en kwam tegen het einde van de achttiende eeuw naar hier. Tussen de paardennummers door traden clowns, zangers en dansers op. De voorstelling trok met groot succes naar Parijs, waardoor in de negentiende eeuw de circussen in Engeland en Frankrijk als paddenstoelen uit de grond rezen. De circustraditie waaide over naar Amerika, waar rond 1830 het eerste rondreizende tentcircus ontstond. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw ontwikkelde het traditionele, rondtrekkende circus zich verder tot echte steden op wielen.
Het traditionele circus kent sinds de jaren 1950 een ware recessie in heel Europa. Rond de jaren 1980 kwamen er nieuwe artistieke impulsen, onder meer vanuit Canada, waar in 1984 Cirque du Soleil ontstond. Het bleef echter voor veel traditionele circussen moeilijk om te overleven. Het is dan ook in die periode dat het circusbeleid in Vlaanderen voorzichtig vorm krijgt: de Vlaamse circussen werden opgenomen in de lijst van culturele manifestaties van het ministerie van de Nederlandse Cultuur, een actiegroep S.O.S.-Circus en de vzw Nationaal Circus van Vlaanderen werden opgericht. Tot begin 2000 hadden dergelijke overheidsinspanningen tot doel een circusvriendelijk klimaat te creëren, maar het waren losse flodders die geenszins kaderden in een systematische ondersteuning van de circuskunsten in Vlaanderen.
Een belangrijk keerpunt in de erkenning van circus als waardevolle kunstvorm was de oprichting van Circusvlo (Vlaamse Organisatie voor Circuskunsten) in 2001, een vzw die als doel het ondersteunen, bevorderen en promoten van circus als amateurkunstvorm had. In het leven geroepen door vijf Vlaamse circusateliers groeide Circusvlo uit tot een gerespecteerde en invloedrijke organisatie in het culturele veld.
Een jaar na de oprichting van Circusvlo sloot de Vlaamse regering een afsprakennota met zeven circussen en ging men van start met een verhoogde ondersteuning en een promotiecampagne om de bestaande Vlaamse nomadische circussen extra kansen te geven. Dit was het startschot voor een aantal structurele maatregelen die minister van Cultuur Bert Anciaux in de daaropvolgende jaren zou doorvoeren. Zijn circusbeleid trachtte zowel het nieuwe als het traditionele circus te ondersteunen, onder meer via de oprichting van het Vlaams Centrum voor Circuskunsten (Circuscentrum). Dit Circuscentrum leidt het circuslandschap in goede banen en doet ze verder groeien. Ook de werking van Circusvlo zet zich binnen het Circuscentrum verder.
De minister van Cultuur riep 2007 uit als jaar van het circus. Het voorlopige hoogtepunt van het Vlaamse circusbeleid is echter de invoering van een waar Circusdecreet eind 2008. Hiermee wordt de circuskunst voor het eerst in de Vlaamse geschiedenis structureel erkend. De diverse steunmaatregelen voor het hedendaags en traditioneel circus worden erin vastgelegd, samen met het beurzensysteem voor opleidingen en de uitgebreide opdracht van het Circuscentrum. Bovendien kunnen ook circusfestivals in het kader van dit decreet gesubsidieerd worden. Drie belangrijke festivals (ISTF/MiramirO, Humorologie en Theater op de Markt) ontvangen structurele subsidies voor een periode van vijf jaar. Een erg goede zaak, al is er nog veel werk aan de winkel om van Vlaanderen een topregio inzake circuskunsten te maken.
Redactie: Maarten Verhelst
Copyright: Vlaams Centrum voor Circuskunsten vzw
Bronnen: Gwendolien Sabbe (eerste twee paragrafen van bovenstaande tekst komen uit het dossier circus op cultuurweb.be), Marc Jacobs (brochure ‘Circussen in Vlaanderen’), André De Poorter (Belgische circussen en foortheaters), Tom Christiaens (Van kunstjes naar kunst. Het nieuwe circus in Vlaanderen en Brussel), Memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet betreffende de ondersteuning van de circuskunsten in Vlaanderen, gesprekken met Fabien Audooren (ISTF, MiramirO) en Ria Geenen (Circuscentrum).
Het circus zoals we dat nu kennen ontstond in Engeland als een opvoering in de paardrijkunst en kwam tegen het einde van de achttiende eeuw naar hier. Tussen de paardennummers door traden clowns, zangers en dansers op. De voorstelling trok met groot succes naar Parijs, waardoor in de negentiende eeuw de circussen in Engeland en Frankrijk als paddenstoelen uit de grond rezen. De circustraditie waaide over naar Amerika, waar rond 1830 het eerste rondreizende tentcircus ontstond. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw ontwikkelde het traditionele, rondtrekkende circus zich verder tot echte steden op wielen.
Het traditionele circus kent sinds de jaren 1950 een ware recessie in heel Europa. Rond de jaren 1980 kwamen er nieuwe artistieke impulsen, onder meer vanuit Canada, waar in 1984 Cirque du Soleil ontstond. Het bleef echter voor veel traditionele circussen moeilijk om te overleven. Het is dan ook in die periode dat het circusbeleid in Vlaanderen voorzichtig vorm krijgt: de Vlaamse circussen werden opgenomen in de lijst van culturele manifestaties van het ministerie van de Nederlandse Cultuur, een actiegroep S.O.S.-Circus en de vzw Nationaal Circus van Vlaanderen werden opgericht. Tot begin 2000 hadden dergelijke overheidsinspanningen tot doel een circusvriendelijk klimaat te creëren, maar het waren losse flodders die geenszins kaderden in een systematische ondersteuning van de circuskunsten in Vlaanderen.
Een belangrijk keerpunt in de erkenning van circus als waardevolle kunstvorm was de oprichting van Circusvlo (Vlaamse Organisatie voor Circuskunsten) in 2001, een vzw die als doel het ondersteunen, bevorderen en promoten van circus als amateurkunstvorm had. In het leven geroepen door vijf Vlaamse circusateliers groeide Circusvlo uit tot een gerespecteerde en invloedrijke organisatie in het culturele veld.
Een jaar na de oprichting van Circusvlo sloot de Vlaamse regering een afsprakennota met zeven circussen en ging men van start met een verhoogde ondersteuning en een promotiecampagne om de bestaande Vlaamse nomadische circussen extra kansen te geven. Dit was het startschot voor een aantal structurele maatregelen die minister van Cultuur Bert Anciaux in de daaropvolgende jaren zou doorvoeren. Zijn circusbeleid trachtte zowel het nieuwe als het traditionele circus te ondersteunen, onder meer via de oprichting van het Vlaams Centrum voor Circuskunsten (Circuscentrum). Dit Circuscentrum leidt het circuslandschap in goede banen en doet ze verder groeien. Ook de werking van Circusvlo zet zich binnen het Circuscentrum verder.
De minister van Cultuur riep 2007 uit als jaar van het circus. Het voorlopige hoogtepunt van het Vlaamse circusbeleid is echter de invoering van een waar Circusdecreet eind 2008. Hiermee wordt de circuskunst voor het eerst in de Vlaamse geschiedenis structureel erkend. De diverse steunmaatregelen voor het hedendaags en traditioneel circus worden erin vastgelegd, samen met het beurzensysteem voor opleidingen en de uitgebreide opdracht van het Circuscentrum. Bovendien kunnen ook circusfestivals in het kader van dit decreet gesubsidieerd worden. Drie belangrijke festivals (ISTF/MiramirO, Humorologie en Theater op de Markt) ontvangen structurele subsidies voor een periode van vijf jaar. Een erg goede zaak, al is er nog veel werk aan de winkel om van Vlaanderen een topregio inzake circuskunsten te maken.
Redactie: Maarten Verhelst
Copyright: Vlaams Centrum voor Circuskunsten vzw
Bronnen: Gwendolien Sabbe (eerste twee paragrafen van bovenstaande tekst komen uit het dossier circus op cultuurweb.be), Marc Jacobs (brochure ‘Circussen in Vlaanderen’), André De Poorter (Belgische circussen en foortheaters), Tom Christiaens (Van kunstjes naar kunst. Het nieuwe circus in Vlaanderen en Brussel), Memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet betreffende de ondersteuning van de circuskunsten in Vlaanderen, gesprekken met Fabien Audooren (ISTF, MiramirO) en Ria Geenen (Circuscentrum).
